Hans Bonte is bezorgd over de twee 'gebrekkige en gevaarlijke wetsvoorstellen', die deze week ingediend worden.

Donderdag stemt het parlement twee wetsvoorstellen die opgesteld zijn door twee partijen van de meerderheid (N-VA en MR). Het eerste voorstel gaat over de sluiting van inrichtingen waarvan vermoed wordt dat er terroristische activiteiten plaatsvinden, het tweede legt aan hulpverleners een actieve informatieplicht op voor het geval zij kennis krijgen van informatie die ernstige aanwijzingen kan uitmaken van een terroristisch misdrijf. Deze voorstellen zullen in principe meerderheid tegen oppositie worden aangenomen. Daarmee zullen de symbolen het opnieuw halen op de efficiëntie in het veiligheidsbeleid. Laat me uitleggen waarom deze voorstellen eerder een forse stap achteruit zijn in plaats van een stap vooruit in de strijd tegen terrorisme.

Eerst het voorstel van de MR om burgemeesters de bevoegdheid te geven om zelf inrichtingen te sluiten waar terroristische activiteiten zouden plaatsvinden. Het klinkt kordaat en ferm om de burgemeester zelf het recht te geven een plek te laten sluiten zonder enige beslissing van een onafhankelijke magistraat. Ik ben zelf burgemeester en vragende partij om zoveel mogelijk bevoegdheden die mij beter in staat stellen gewelddadig radicalisme en terreur te bestrijden. Maar dit is geen bevoegdheid die ik wil of nodig heb. Dit zal leiden tot gevaarlijke willekeur. Kan ik morgen aan mijn korpschef vragen om alle Vilvoordse gokkantoren, cafés met problemen, gebedsruimtes of lastige jeugdclubs te sluiten? Dergelijk eigengereid optreden van burgemeesters zouden lokale politieagenten bovendien in zeer onverwachte en onveilige situaties kunnen brengen; situaties waarop ze niet zijn voorbereid, noch voor zijn uitgerust.

Terreurzaken zijn altijd buitengewoon complex, meestal internationaal vertakt en ook nog eens verbonden met andere 'ondersteunende' criminaliteitsfenomenen zoals wapen- en drugshandel. De lokale overheid en politie kunnen zo'n zaak niet aan. Precies daarvoor bestaan de federale politie en de inlichtingendiensten. Alleen zij kunnen zo'n zaak overschouwen - terwijl de burgemeester alleen het tipje van de ijsberg ziet. Maar wat erger is: als de burgemeester inderdaad optreedt op grond van zijn nieuwe bevoegdheid en een inrichting sluit, is er een goede kans dat hij daarmee een lopend inlichtingenonderzoek van de staatsveiligheid of een opsporingsonderzoek van het federaal parket - beide essentieel voor onze veiligheid - in de war schopt. De burgemeester krijgt hier de bevoegdheid om olifant te spelen in de porseleinwinkel. Zo'n olifant trekt misschien wel even wat welwillende persaandacht, maar hij vernielt ook alle zorgvuldig opgebouwde onderzoeksinspanningen van onze federale veiligheidsdiensten om netwerken bloot te leggen waarvan de burgemeester geen weet kan hebben.

Rommelwet

Veiligheidsgrendels die voorkomen dat burgemeesters te goeder trouw of uit profileringsdrang lopende terreuronderzoeken verstoren door de sluiting van een inrichting, ontbreken volledig in het voorstel. Toch valt er veel te zeggen voor meer mogelijkheden en middelen - ook rechtsmiddelen - om burgemeesters beter te wapenen in de strijd tegen terreur en georganiseerde misdaad. Zo is het wenselijk dat een burgemeester in samenspraak met zijn politiedienst het parket kan vorderen om op zeer korte termijn en met de nodige gespecialiseerde middelen op te treden tegen vastgestelde verdachte inrichtingen. Vandaag zijn burgemeesters vaak getuige van een veel te traag en onduidelijk optreden van de gerechtelijke diensten.

Het MR-voorstel staat bovendien haaks op de inspanningen van de regering om terreur te bestrijden via het federaal parket, de federale gerechtelijke politie, de staatsveiligheid en OCAD. Een regering, die een coherent antiterreurbeleid probeert uit te tekenen, mag die inspanning niet door zo'n rommelwet laten doorkruisen.

Het tweede voorstel van Valerie Van Peel (N-VA) is zo mogelijk nog gevaarlijker, zij het op iets langere termijn. Haar voorstel wil alle hulpverleners verplichten aangifte te doen als ze ernstige aanwijzingen hebben van een terroristisch misdrijf. Het blijft tot op vandaag onduidelijk hoeveel tienduizenden werknemers onderworpen worden aan de bepalingen van dit wetsvoorstel om hun vertrouwensband met bepaalde cliënten te schenden en als terreurspion op te treden voor de veiligheidsdiensten. Het spreekt voor zich dat deze maatregel een averechts effect zal hebben: geen enkele cliënt zal een hulpverlener nog in vertrouwen nemen waardoor geradicaliseerden geheel buiten het vizier van sociale diensten blijven. En dat is nog veel gevaarlijker. De hulpverlenende sector is terecht erg ongerust over dit voorstel.

Het lijkt ons essentieel dat het beleid zich vooral bekommert om meer efficiëntie in het veiligheidsbeleid en zich niet verliest in een profileringsspiraal van goedbekkende maar gevaarlijke, nieuwe voorstellen. Het lijstje van maatregelen dat op korte termijn moet uitgewerkt worden is intussen lang: de eenmaking van de Brusselse politiezones, het online kunnen bekijken van camerabeelden in stations en metro's door de lokale politie, het uitbreiden van de aanhoudingstermijn van 24 uur naar 48 uur, het onmogelijk maken dat geheime rapporten van de Staatsveiligheid politiek misbruikt worden, het stimuleren van lokale besturen om vooralsnog een Lokale Veiligheidscel op te richten, werk maken van meer diversiteit bij de politiediensten, de ontwikkeling van een echte dynamische databank...dat zijn de ware uitdagingen in het veiligheidsbeleid.