Het handelsverdrag tussen de Europese Unie en Canada (CETA) bevat een mechanisme waarbij een multinational een staat kan aanklagen wanneer het bedrijf vindt dat de staat maatregelen treft die haar winsten aantast. Dit mechanisme heet ICS en is volgens ons niet compatibel met het Europees recht. Daarom vragen we de regering om bij het Europees Hof van Justitie advies in te winnen over de verenigbaarheid van ICS in het verdrag tussen de EU en Canada met de EU-verdragen. U vindt de resolutie hieronder.

Op 26 september 2014 werden de onderhandelingen over het handelsverdrag tussen de Europese Unie (EU) en Canada (Comprehensive Economic and Trade Agreement, CETA) formeel afgerond en de geconsolideerde onderhandelingsteksten­ gepubliceerd. Die teksten werden echter niet geparafeerd door de onderhandelaars, hetgeen hen toeliet om tijdens de juridische opschoning van de teksten het omstreden hoofdstuk over investeringsbescherming te heronderhandelen. Dat resulteerde in de vervanging van het fel bekritiseerde systeem voor investeerder-staatarbitrage (Investor-State Dispute Settlement, ISDS) door een nieuw op te richten permanent Hof voor investeringsgeschillen (Investment Court System, ICS). Op 29 februari 2016 was de juridische revisie rond en werd de definitieve verdragstekst, inclusief ICS, gepubliceerd. De ondertekening van het CETA door de Canadese premier en vertegenwoordigers van de EU is voorzien op 27 oktober 2016, tijdens een top in het kader van 40 jaar betrekkingen tussen de EU en Canada. De stemming in het Europees Parlement is voorzien in december 2016 of begin 2017.

Het Europees recht en de vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie doen suggereren dat het zogenaamde Investment Court System (ICS) zoals opgenomen in CETA en voorzien aan Europese zijde  in een eventueel Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) niet compatibel is met het Europees recht.  ICS zou immers ten eerste in algemene zin de rechtsorde van de Unie en in het bijzonder de bevoegdheid van de  Europese rechtbanken ondermijnen. Ten tweede zou ICS  een negatief effect kunnen hebben op de voltooiing van de interne markt omdat dit een tegenover binnenlandse investeerders discriminerend rechtsspraakmechanisme instelt.

De Europese Associatie van Rechters (European Association of Judges) heeft op 9 november een verklaring gepubliceerd waarbij ze de wettelijkheid en wenselijkheid van ICS in vraag stellen.

Dirk VAN DER MAELEN

 

De Kamer van Volksvertegenwoordigers

 

– gelet op:

 

1° de teksten van het handelsakkoord tussen de Europese Unie (EU) en Canada, genaamd CETA (Comprehensive Economic and Trade Agreement), zoals gepubliceerd op 29 februari 2016;

2°  artikel 218 (11) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dat stipuleert dat een lidstaat het advies kan inwinnen van het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van een voorgenomen overeenkomst met de Verdragen;

3°  de Verklaring van de European Association of Judges (EAJ) on the proposal from the European Commission on a new Investment Court System van 9 november 2015.

4.   De amicus curiae brief van de Europese Commissie in Achmea B.V. tegen Slowakije over de strijdigheid van investeerder-arbitrage met de Verdragen;

 

 

– overwegende dat:

1° internationale handelsakkoorden een bijdrage kunnen leveren aan economische groei en ontwikkeling als de doelstellingen goed zijn afgesteld en de gebruikte instrumenten de risico’s voor de burger, werknemer en consument niet verhogen;

2°  de Europese Commissaris voor Handel en de Canadese minister van Inter­ nationale Handel in hun gezamenlijke verklaring over het CETA van 29 februari 2016 het CETA een ‘gouden standaard’ voor handelsakkoorden noemen en dus erkennen dat het CETA precedentswaarde heeft voor onderhandelingen over toekomstige handelsakkoorden, zoals het Trans-Atlantisch Vrijhandels- en Investeringsverdrag (TTIP);

 

3°  de groei van 0,02% tot 0,03% van het Europese bruto binnenlands­ product (bbp) die het CETA naar schatting zal teweegbrengen op lange termijn relatief beperkt is;

 

4° overwegende dat het Europees Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de toetreding van de Europese Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens niet verenigbaar is met de EU-verdragen, omdat het mogelijk de autonomie van het Europese rechtssysteem aantast;

 

5° overwegende dat de door het Hof gebruikte argumentatie mogelijk ook toepasbaar is op het het internationaal investeringshof (ICS);

 

6°     overwegende dat artikel 218 (11) VWEU de Belgische regering de mogelijkheid geeft  om complicaties te voorkomen indien CETA in rechte op een later tijdstip wordt aangevochten en daarmee ernstige moeilijkheden worden voorkomen in de betrekkingen tussen België, de Europese Unie, en Canada.

 

 

– vraagt de federale Regering:

bij het Europees Hof van Justitie advies in te winnen over de verenigbaarheid van ICS in het verdrag tussen de EU en Canada met de EU-verdragen.

Dirk VAN DER MAELEN