See you in court!

Betekent de Palestijnse toetreding tot het Internationaal Strafhof in Den Haag een einde aan de straffeloosheid?

2 januari 2015, Den Haag. Palestijns President Mahmoud Abbas legt een verklaring neer bij het Internationaal Strafhof in Den Haag waarmee hij de jurisdictie van het Hof conform het Statuut van Rome aanvaardt. Met de toetreding tot het Internationaal Strafhof hopen de Palestijnse leiders de straffeloosheid in het Israëlisch-Palestijns conflict te doorbreken.  Het Internationaal Strafhof onderzoekt en vervolgt immers oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide. De jurisdictie van het Internationaal Strafhof beslaat zo vanaf 1 april – vandaag dus - de hele bezette Palestijnse gebieden, inclusief Oost-Jeruzalem. Het betekent dat zowel Palestijnen als Israëli’s ter verantwoording kunnen worden geroepen én vervolgd voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid op Palestijns grondgebied. Of het ook effectief tot een rechtszaak komt waarbij Palestijnse en Israëlische bevelhebbers ter verantwoording worden geroepen, moet de toekomst uitwijzen. Maar één ding staat vast: het doorbreken van de straffeloosheid door ondubbelzinnig de kant van het Internationaal Humanitair Recht te kiezen, is een noodzakelijke voorwaarde voor een duurzame oplossing van het conflict.

Abbas diende ook een verklaring in waarin hij de retroactieve jurisdictie van het Strafhof aanvaardt, te beginnen vanaf 13 juni 2014. Dit betekent dat het Internationaal Strafhof een onderzoek kan starten naar mogelijke oorlogsmisdaden in Gaza voorafgaand aan en gedurende de 50 dagen durende oorlog in juli en augustus 2014. De procureur van het Internationaal Strafhof heeft verklaard dat ze reeds een vooronderzoek is gestart.

Maar waar gaat het nu eigenlijk over?

I. De feiten: Gaza 2014 en Operatie 'Protective Edge'

Gaza was de voorbije zomer eens te meer het theater van een gewelddadige opflakkering van de spanningen tussen Israël en de Palestijnen. Tijdens operatie “Protective Edge”, van 8 juli tot 26 augustus 2014, bombardeerde het Israëlische leger Gaza, terwijl Palestijnse gewapende groeperingen het zuiden van Israël bestookten met raketten en granaten.

II. Wat zegt het Internationaal Humanitair Recht ?

Dergelijke conflicten zijn gereguleerd door het Internationaal Humanitair Recht. De regels over wat mag en niet mag in een gewapend conflict liggen vast in de vier Conventies van Genève, de aanvullende Protocollen en het internationaal gewoonterecht. Israël is geen partij bij het Internationaal Strafhof, maar aanvaardt wel de toepassing van het internationaal gewoonterecht en de humanitaire provisies van de 4de Conventie van Genève.(1) 
De voornaamste tenlastelegging voor beide partijen zou erin bestaan dat ze bij hun aanvallen geen onderscheid hebben gemaakt tussen militaire en burgerdoelwitten. Het principe van onderscheid tussen militaire en burgerdoelen is immers één van de pilaren van het Internationaal Humanitair Recht. Daaruit komt ook het principe van proportionaliteit voort: weegt het verwachte militair voordeel op tegen het verwachte aantal slachtoffers? Een andere verplichting is dat alle partijen hun eigen burgers moeten beschermen. Als een onderzoek volgt, oordeelt de procureur op basis van onder meer deze principes of er al dan niet een rechtszaak komt.

III. Toepassing  van het internationaal recht op Israël: waarom zoveel burgerslachtoffers?

Volgens cijfers van de Verenigde Naties zijn er vorige zomer 2.220 doden aan Palestijnse kant gevallen. Onder de 1.492 burgers waren ook 551 kinderen.(2) 
Tijdens de operatie herhaalden bevelhebbers en officials dat het leger te allen tijde – zowel tijdens als na de gevechten – handelde in overeenstemming met het Internationaal Humanitair Recht. De procureurs van het Internationaal Strafhof zullen op basis van onderstaande principes hierover oordelen.

Bron: Fragmented Lives: Humanitarian Overview, 2014 OCHA March 2015

Het principe van onderscheid: burgerdoelen of militaire objecten?

Volgens de Israeli Defence Forces (IDF) werden gedurende de operatie meer dan 5.226 ‘terroristische sites’ aangevallen: gebouwen van waaruit raketten werden gelanceerd of die als militaire post werden gebruikt, commandocentra, wapenarsenalen etc.  Het is geen toeval dat Israël verscheidene keren heeft benadrukt dat het om militaire of terroristische sites gaat. Een van de meest fundamentele principes van het Internationaal Humanitair Recht is immers het principe van onderscheid. Dat betekent een onderscheid tussen burgers en strijders, dat betekent dat enkel militaire objecten legitieme doelwitten zijn. Een militair object wordt gedefinieerd als een object waarbij de vernieling, de neutralisatie of – als het over personen gaat – de gevangenneming, een duidelijk militair voordeel oplevert.(3)

Bron: http://bbcwatch.org/tag/pchr/

 
 

Als er onzekerheid is, moeten de objecten als civiel en dus niet-militair worden beschouwd.(4)
Volgens de cijfers van de VN waren echter ook 32.028 residentiële gebouwen doelwit van de Israëlische aanvallen. 8.359 Palestijnse huizen werden volledig vernietigd, 17 ziekenhuizen moesten sluiten door de vernielingen. Bovendien werd de enige elektriciteitscentrale onbruikbaar gemaakt, alsook 128 werkplaatsen. Zo documenteerde Amnesty International de bombardementen op drie appartementsgebouwen in Gaza Stad en een winkelcentrum in Rafah van 23 tot 26 augustus 2014. Volgens Amnesty had de Israëlische overheid voor geen enkel van deze gebouwen voldoende bewijs dat ze voor militaire doeleinden werden gebruikt.(5)

Bron: Al Haq “Divide and conquer”

Het principe van proportionaliteit: collateral damage

De internationale gemeenschap veroordeelde steevast het disproportionele karakter van de acties van Israël. Proportionaliteit is dan ook een ander belangrijk principe van het Internationaal Humanitair Recht dat voortvloeit uit het bovenstaande principe van onderscheid. Het gaat hier niet over het aantal slachtoffers, maar wel over de vraag of het militaire voordeel opweegt tegen het aantal slachtoffers dat de aanval zal veroorzaken.(6) Om ‘collateral damage’ te vermijden moet het leger bij het plannen van haar acties voldoende informatie en ‘intelligence’ verzamelen en de vraag stellen of het militair voordeel op een andere manier of met andere middelen kan behaald worden. Het Israëlische leger staat bekend om haar ontwikkelde en sterke inlichtingendiensten en heeft daarenboven de technische capaciteiten voor precisieaanvallen.

Ook aanvallen die rechtstreeks gericht zijn op militaire doelwitten, maar daarbij disproportionele schade veroorzaken voor burgers, worden als oorlogsmisdaad beschouwd.(7) In uiterst dicht bewoonde gebieden zoals de Gazastrook is ook het gebruik van inaccurate wapens onrechtmatig.(8)

Waarschuwing: a knock on the roof

Als er beslist wordt om een aanval uit te voeren op een legitiem militair doelwit, moet men ervoor zorgen dat er zo min mogelijk burgerslachtoffers gemaakt worden en zo min mogelijk schade wordt toegebracht aan burgerlijke objecten.(9) Zo moet bijvoorbeeld de partij die een aanval uitvoert een effectieve waarschuwing geven aan de burgers die door de aanval eventueel kunnen worden getroffen.
Uit de rapporten van onder meer Amnesty International en Gisha blijkt dat de bewoners van bovengenoemde appartementen meestal wel ingelicht werden over de nakende aanval. Afgelopen zomer gebeurde dat regelmatig met een zogenaamde ‘knock on the roof’, waarbij eerst een kleiner projectiel op het gebouw zelf wordt afgevuurd. In sommige gevallen hadden de bewoners genoeg tijd om hun huizen te ontruimen. In andere gevallen waren de waarschuwingen om meerdere redenen niet effectief. Vaak kregen bewoners niet genoeg tijd om te evacueren. Soms was het onduidelijk welk huis zou worden gebombardeerd omdat er in de buurt reeds andere aanvallen aan de gang waren. Deze voorafgaande waarschuwing wordt niet expliciet vermeld in artikel 8 van het Statuut van Rome, maar wordt wel gespecifieerd in het internationaal gewoonterecht.(10) Ook onder het Statuut van Rome zou het falen van het geven van een effectieve waarschuwing als oorlogsmisdaad kunnen worden beschouwd, aangezien er niet alles aan werd gedaan om de burgerbevolking te beschermen.

IV. Toepassing van het internationaal recht op Hamas: burgers gebruikt als menselijke schilden?

Gedurende het conflict van afgelopen zomer vuurden verscheidenen gewapende Palestijnse groeperingen zo’n 4.881 raketten en 1.753 mortiergranaten af op rurale gemeenschappen en steden in de grensstreek, in een radius van 50km.(11)

Willekeurige aanvallen

 

Ook Hamas en gelieerde gewapende groeperingen lapten het bovenstaande principe van onderscheid dus aan hun laars. Niet alleen werd gebruik gemaakt van heel rudimentair oorlogsmateriaal, waarmee niet accuraat gemikt kan worden, vaak hadden de groeperingen niet de minste intentie om accuraat militaire objecten te raken. Deze willekeurige aanvallen resulteerden in 6 Israëlische burgerslachtoffers en meer dan 2.000 gewonden. De term willekeurige aanval komt niet voor in het Statuut van Rome, maar zou toch binnen de jurisdictie van het Internationaal Strafhof vallen omdat ze kunnen gekwalificeerd worden als een aanval tegen de burgerbevolking.

De plicht om je bevolking te beschermen

Bron: http://www.idfblog.com/blog/2014/07/20/shujaiya-hamas-terror-fortress-gaza/

 

Het Israëlische leger schuift de schuld voor burgerslachtoffers volledig bij Hamas. Hamas en andere gewapende groeperingen voerden hun aanvallen uit vanuit bevolkingscentra. Wapens en munitie verborgen ze in huizen, raketten lanceerden ze vanop appartementsgebouwen. Dat maakt het niet alleen moeilijk voor Israël om militaire objecten als dusdanig te identificeren, maar het gaat ook in tegen een ander fundamenteel principe van het Internationaal Humanitair Recht: de plicht om je eigen burgers en burgerlijke objecten te beschermen. Alle conflicterende partijen moeten precies daarom vermijden militaire stellingen te installeren in de omgeving van bewoonde gebieden.(12) Hamas zou in geval van Israëlische bombardementen ook burgers hebben aangeraden om in hun huizen te blijven.

De Israëlische overheid ziet hierin de intentie van Hamas om burgers als menselijk schild te gebruiken. Dit is een oorlogsmisdaad onder het Statuut van Rome.(13) Los van de juistheid van de aantijgingen, geven oorlogsmisdaden van de ene partij de andere partij niet het recht om zich te distantiëren van haar verplichtingen om de burgerbevolking te beschermen.

V. Onafhankelijk onderzoek

De gevolgen van de militaire actie van vorige zomer zijn vandaag nog heel erg tastbaar in de straten van Gaza. Verschillende mensenrechtenorganisaties documenteerden de schendingen van het Internationaal Humanitair Recht. Om zicht op het volledig plaatje te krijgen, schendingen te identificeren, daders aan te wijzen en te berechten, is een onafhankelijk onderzoek nodig.
Het Internationaal Humanitair Recht legt niet alleen de rechten en plichten van strijdende partijen vast tijdens het gewapend conflict, het voorziet ook in mechanismen om de daders van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid ter verantwoording te roepen en te straffen. Artikel 146 van de 4de Conventie van Genève stelt dat elke deelnemende partij de verplichting heeft om een onderzoek in te stellen naar mogelijke schendingen, en om individuen die dergelijke schendingen hebben gepleegd of deze schendingen hebben bevolen, te berechten voor een nationale rechtbank. Artikel 17(a) van het Statuut van Rome bepaalt dat het Internationaal Strafhof jurisdictie heeft als een staat onwillig of onbekwaam is om een echt onderzoek of vervolging uit te voeren.
B’Tselem en Yesh Din, twee vooraanstaande Israëlische mensenrechtenorganisaties, stelden in september 2014 dat Israël geen onderzoek wil opstarten of dat het niet in staat is op een geloofwaardige manier de mogelijke schendingen van afgelopen zomer te onderzoeken.(14) Het is immers het leger zelf dat zijn eigen gedrag tijdens Protective Edge zal onderzoeken. Zo is de militaire procureur-generaal zowel bevoegd voor het verlenen van juridisch advies over de wettelijkheid van acties tijdens militaire operaties, als voor het onderzoek (en vervolging) van onwettelijke situaties. Dit creëert een inherent belangenconflict. Bovendien zijn oorlogsmisdaden niet opgenomen in de Israëlische wetgeving.

VI. Komt het ooit tot een rechtszaak? Politieke druk van de internationale gemeenschap is cruciaal

Een onafhankelijk onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid van de militaire acties in Gaza van afgelopen zomer dringt zich op. Vanaf 1 april heeft het Internationaal Strafhof in Den Haag dan ook de mogelijkheid om deze feiten te onderzoeken.
Een onderzoek betekent echter nog lang geen rechtszaak. De werking van het Strafhof is volgens artikel 17 van het Statuut van Rome complementair op nationale hoven en rechtbanken. Dat betekent dat het Hof pas een onderzoek kan openen wanneer duidelijk is dat nationale hoven en rechtbanken niet bereid of niet bij machte zijn om een onderzoek in te stellen. Ongetwijfeld zal de bevoegdheid van het Hof hier betwist worden. Uit de rechtspraak van het Strafhof is duidelijk dat het niet aarzelt om bevoegdheid te claimen voor feiten waarvoor nog geen nationaal onderzoek werd gevoerd. Dergelijke praktijk is, hoewel controversieel, volledig gerechtvaardigd op basis van een letterlijke lezing van artikel 17 van het Statuut van Rome.(15) 
Wellicht zal Israël opwerpen dat er wel degelijk onderzoeken zijn ingesteld en dat daarom het Hof niet bevoegd  is. Het Strafhof zal enkel jurisdictie kunnen claimen wanneer uit de feiten blijkt dat Israël niet bereid is om de verdachten te berechten. Hiervoor zal moeten aangetoond worden dat er sprake is van ongeoorloofde vertragingen in de procedure of wanneer wordt vastgesteld dat gerechtelijke autoriteiten de verdachte beschermen tegen een gerechtelijke uitspraak.(16)
Zelfs als het Hof zichzelf bevoegd verklaart, is het nog altijd onwaarschijnlijk dat Palestijnse en Israëlische bevelhebbers zich moeten verantwoorden in Den Haag. Processen vereisen namelijk de aanwezigheid van de verdachten. Druk van de internationale gemeenschap is essentieel, opdat Israël en Hamas verdachten zouden uitleveren.

CONCLUSIE: De Palestijnse toetreding tot het Internationaal Strafhof is een cruciaal instrument om de diepgewortelde straffeloosheid in het Israëlisch-Palestijns conflict te doorbreken. Beide zijden maken zich schuldig aan ernstige schendingen van het Internationaal Humanitair Recht. Deze daden mogen niet onbestraft blijven. Straffeloosheid doorbreken is een noodzakelijke voorwaarde voor een duurzame oplossing.
Daar schuilt ook een verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap in. De ervaring met het dossier van de Soedanese President al-Bashir (die ondanks een arrestatiebevel sinds 5 jaar nog altijd niet aan het Hof is uitgeleverd), leert dat een goede werking van het Internationaal Strafhof sterk afhankelijk is van politieke steun en medewerking van staten vereist. Net zoals een oplossing voor het gehele conflict, zal een proces voor het Strafhof afhankelijk zijn van de politieke wil van de grootmachten. Daarom is het noodzakelijk dat de Europese Unie en dus ook België hun oprechte verontwaardiging en sterke veroordelingen van het geweld in Gaza in de zomer van 2014, nu omzet in daden. Dat betekent ondubbelzinnig de stap van de Palestijnen naar het Internationaal Strafhof steunen, zich engageren voor de heropbouw van Gaza en blijven ijveren voor een einde aan de blokkade.

Deze discussie werd gesloten.