Marc Lootens gaat met pensioen. Op 1 mei begot – symbolischer kan niet - na een carrière van meer dan 40 jaar in het (rode) jeugdwerk en in de politiek. De man met de kenmerkende knevel stond aan de zijde van legendes zoals Gilbert Temmerman, Piet Van Eeckhaut en Herman Balthazar, en leidde als voorzitter zes jaar lang de provincieraad. Elke kameraad in Gent en ruime omstreken kent ‘Luutes’. “Ik, een monument? Niets van, hoogstens een rolling stone.” Een gesprek met een kind van de sociale zekerheid.

Je jeugd was heftig: een (veel) oudere vader, een jonge moeder die sterft als je zelf pas 5 bent, en liefst 11 broers en zussen: wat doet dat met een mens?

“Dat was inderdaad heftig. Na de dood van mijn moeder moesten de kinderen vooral hun plan trekken. Van genegenheid was geen spoor te bekennen. Van mijn 6 jaar af moest ik te voet naar school, 4 kilometer heen en evenveel terug, elke dag. Ik kan vandaag nog altijd rustig 20 kilometer doorstappen zonder verpinken. Stel u voor: wij hadden niet eens mantels. Ik had een zogenaamde ‘bazooka’, een soort plastiek regenjasje met een kap. ‘Als je het koud hebt moet je maar lopen’ zei mijn vader.”

“Na het overlijden van mijn moeder, die katholiek was, deden we allemaal het lopende schooljaar uit en verkasten dan naar het stads- of het rijksonderwijs. Mijn vader was een vrijdenker, het was een bewuste keuze – dat het onderwijs goedkoper was, was meegenomen. Dat was nog in de jaren van de Schoolstrijd, midden de jaren ’50. We moesten allemaal minstens tot ons 16 jaar studeren, daarna mochten we kiezen: verder studeren of werken. Dat was vrij uitzonderlijk in die jaren. ‘Zeker de meisjes moeten lang studeren, die hebben 2.000 jaar achterstand’ aldus mijn vader. Hij was zijn tijd vooruit wat emancipatie van de vrouw betreft.”

Was de jonge Marc een haantje-de-voorste? Sprak hij graag een welwillend publiek toe?

“Neen, helemaal niet. De schroom over onze afkomst zat daar voor een deel tussen. We liepen in het lager onderwijs slecht gekleed tussen kinderen van de bourgeoisie, we turnden op blote voeten… Pas op, de directeur maakte geen onderscheid tussen bourgeoiskinderen en anderen: iedereen kreeg lijfstraffen in die tijd. Ik kan u verzekeren: hij heeft er nogal in gerammeld. Ik had daar zelf niet veel last van: ik was een stille, brave jongen.”

“Mijn vader las wel veel, ik heb hem altijd met een boek gezien. Ik heb die gewoonte overgenomen toen ik een jaar of 10 was. Het talent voor taalvaardigheid heb ik van hem geërfd.”

In het boek ‘herinneringen voor de toekomst’ van Sigyn Van de Velde (2012) zeg je: ‘Ik ben een kind van en voor de sociale zekerheid’. Wat bedoel je daar mee?

“De uitbouw van de sociale zekerheid begon na de Tweede Wereldoorlog, met de verplichte aansluiting bij een ziekenfonds, de pensioenstortingen, de werkloosheids-, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen. Het kindergeld ging omhoog, het onderwijs werd toegankelijker. Stel u voor: de werkmensen kregen twee weken vakantie in plaats van één en waren daar dolblij mee. Men kan zich dat nu niet meer inbeelden.”

“De sociale zekerheid werd een kathedraal. Vandaag schiet er nog een kapel over en dat is doodzonde. Zowat een derde wordt betaald door de overheid, door de regering, en dat vind ik niet goed: die financiering is te afhankelijk van wie de politieke macht heeft. De gevolgen daarvan worden nu duidelijk zichtbaar. Ikzelf zal altijd een stevige sociale zekerheid blijven verdedigen. Wij hebben aan den lijve ondervonden hoe belangrijk die is. Op 1 januari 1966 moest iedereen verplicht aangesloten zijn bij een ziekenfonds – bij ons was dat vanzelfsprekend Bond Moyson. Je moest zes maanden lid zijn om van de voordelen te kunnen genieten. Het toeval wil: op 2 juli van dat jaar werd bij één van mijn broers een tumor in de hersenen verwijderd. Dankzij de ziekteverzekering was die operatie betaalbaar. Anders had het er heel slecht uitgezien.”

Marc Lootens was dus voorbestemd voor het socialisme?

"Absoluut. We zijn opgegroeid in een arbeiderswijk. Bovendien had ik een oudere broer die nog de BSP heeft opgericht in De Pinte; een andere broer heeft 36 jaar voor het dagblad Vooruit (later De Morgen) gewerkt, dat was toen nog een echt partijblad. Mijn vader sprak nauwelijks over politiek, maar als er verkiezingen voor de deur stonden zei hij: ‘Stemt op de socialisten, ik wil geen andere hier in huis’. In 1964 vond het eerste ‘Feest van de Vrijzinnige Jeugd’ plaats in Gent, mijn broer Frank was daar bij. Ikzelf deed mijn eerste communie nog (nvda: hij heft een lied aan over ‘Jezus die in ons hartje komt wonen’) en kreeg niet toevallig een rode pennenzak, maar na de dood van mijn moeder was het afgelopen met mijn godsdientonderricht.”

Had je, terugblikkend, graag hier of daar een andere keuze gemaakt in je carrière? Heb je kansen verkeken, ergens spijt van?

"Neen, ik heb nergens spijt van. Ik had in mijn jonge jaren zo’n beetje van alles gedaan (onder andere 3 jaar als jeugdwerker voor wijlen Koen Blieck gewerkt, de geliefde pastoor in de Rabotwijk) toen ik op mijn 28ste door de illustere Daniel Termont werd gevraagd om voor de ‘Jamclub’ te komen werken op de Muide. In 1987 ging ik bij de Bond Moyson aan de slag, nadat ik bij de Jamclub stopte. Van 1990 tot 2000 zou ik terugkeren naar de heropgestarte Jamclub, om daarna terug te keren naar de Bond.”

“In 1985 besloot ik mij kandidaat te stellen voor de Provincieraadsverkiezingen. Dat was een bewuste keuze: ik vond dat men in de gemeenteraad, toen, te veel over details bezig was. Bovendien ging het er anders aan toe dan in de provincieraad, er werd al eens geroepen en gescholden. Daar hou ik niet van, er moet gedebatteerd worden in stijl. Hoe dan ook: ik werd in ’85 verkozen met 1.053 voorkeurstemmen. Dat is veel, want je mocht toen maar op één kandidaat binnen een lijst stemmen. Ik zou mijn hele carrière in de provincieraad blijven en daar heb ik geen spijt van. Ik werd 12 jaar lang fractieleider en aan het eind ook 6 jaar voorzitter van de raad.”

Ik neem aan dat je nooit de overstap naar een andere partij hebt overwogen?

“Neen. Als de sp.a ooit niet meer socialistisch genoeg zou zijn naar mijn mening, dan word ik lid van de PS, in de eerste stad over de taalgrens. Ik heb heel veel te danken aan de socialisten en wat die hebben gerealiseerd, ik heb daar veel kansen door gekregen.”

Wie zijn je grote voorbeelden?

“Ik heb het geluk gehad Piet Van Eeckhaut van dichtbij te mogen meemaken. Hoe die af en toe zijn trukendoos opentrok… Een bijzonder intelligent, gewiekst én taalvaardig man, daar staat hij om bekend. Ook van Gilbert Temmerman, Frank Beke en Daniel Termont heb ik geleerd. Daniel kwam in 1977 op zijn 23ste al in de gemeenteraad, samen met Verhofstadt die ongeveer even oud was. Na een maand debatteerden die mannen al hevig mee, op niveau. Ze moesten trouwens alles zelf voorbereiden toen. Voor Daniel is dat geen probleem, dat is een werkpaard…”

Waar komt je liefde voor het gesproken woord en bloemrijk taalgebruik vandaan? In het boek van Van de Velde zeg je immers ook: ‘Niemand verstond beter de kunst van het zwijgen dan mijn vader’.

“Ik heb veel gelezen in mijn jeugd, naar het voorbeeld van mijn vader. Er was de figuur van Piet Van Eeckhaut. En ik volgde in de sociale school, op mijn 25ste, de cursus ‘Gespreks- en overlegtechnieken’. Daar werd ik gewaar dat ik enige talent had voor retorica. Een ‘welsprekend mens’, dat is nog iets anders dan een marktkramer. Van Eeckhaut was een woordkunstenaar, Hilaire Liebaut (die voor de CVP in de provincieraad zat) was dat ook. En natuurlijk ook Herman Balthazar, een juweel als gouverneur.”

Wie geluk heeft hoorde je al grote stukken uit toespraken van Winston Churchill (nvda: premier van Groot-Brittanië o.a. ten tijde van de Tweede Wereldoorlog) declameren. Kijk je op naar die man?

"Ik ben altijd anglofiel geweest, ik heb nog altijd familie wonen in Engeland omdat mijn vader zijn eerste vrouw een Engelse was. Ik heb veel aan zelfstudie gedaan over de Engelse taal, ik luisterde als jonge gast ook naar de BBC op de radio. Mijn vader liep hoog op met Churchill omwille van zijn rol in het verslaan van Nazi-Duitsland. Hoewel het een aristocraat was zonder affiniteit met het werkvolk, kan je niet anders dan hem bewonderen om zijn indrukwekkende carrière en zijn welbespraaktheid – veel van zijn oneliners zijn klassiekers geworden.”

“Ik heb ooit, in het jaar 2000, zelf gesproken in het Winston Churchill College in Cambridge. Dat was heel toevallig gekomen. Ik raakte in het Achturenhuis in Ledeberg aan de praat met een Engelsman die in Gent was voor een congres. Hij bleek uit Wigan te komen, waar mijn broer Pieter is geboren. Hij hoorde mij bezig over Engeland en Churchill en zei: wij organiseren binnenkort een evenement rond Churchill, jij moet komen spreken. Ik dacht er het mijne van, tot ik enkele weken later een telefoontje kreeg met de formele uitnodiging. Ik sprak er voor 500 man, op de eerste rij zat het vol met ‘Members of the British Legion’, allemaal gedecoreerden die benieuwd waren wat die buitenlander zou komen vertellen. Ik sprak met aangepast timbre in mijn stem, "I have nothing to offer but blood, toil, tears, and sweat", zijn legendarische woorden uit 1940. Ik kreeg aan het eind een staande ovatie, een zeldzaamheid. Fijn om mee te maken.”

Ik zou je ‘een monument van de Gentse politiek in het algemeen en de socialistische partij in het bijzonder’ durven noemen. Wat vind je daar van?

“Dat is overdreven. Trouwens: monumenten zijn van steen, ik ben van vlees en bloed. Het is ook gewoon niet waar. Edouard Anseele senior bijvoorbeeld, dát is een monument. (lacht) Ik ben hoogstens een rolling stone binnen de partij.”

(interview: Claude ‘Totti’ Beernaert, 5 april 2017)