“De goede huisvaders in ons politiek bestel hangen een verouderde pedagogische visie aan. Wat we nodig hebben in het pensioendebat is een moderne goede ouder”, schreef onderzoeker Wouter De Tavernier (KULeuven) in De Standaard. Gelijk heeft hij.


Nu de pensioendiscussie woedt, buigen experts en anderen zich over de vraag waar we nu naartoe moeten. Ieder met zijn of haar waarheid. Ik juich dat toe, want alleen met constructief debat kunnen we de pensioenen van de toekomst verzekeren. Precies daarom kwam mijn partij nu al ruim een jaar geleden al met een nieuw en modern pensioenmodel naar buiten dat de bakens wél verzet.

Over één zaak zijn we (pensioen-experten en politici over de partijgrenzen heen) het eens: we zullen allemaal samen langer moeten werken om de vergrijzingsgolf het hoofd te bieden. Alleen is de manier waarop we dat in de praktijk moeten brengen - of beter: langere carrières écht mogelijk en werkbaar te maken - een cruciaal element dat te vaak over het hoofd wordt gezien. Als je weet dat vandaag een gemiddelde carrière 39 jaar lang is, dan los je dat niet op met vanuit de Wetstraat te beslissen om de pensioenleeftijd te verhogen tot 67 jaar. Dat was ook ons het uitgangspunt van onze maandenlange denkoefening in 2017: hoe dan wel?

Vandaar dat wij als eersten hebben gefocust op de koppeling van de pensioenen aan het aantal gewerkte jaren. Dat leek ons zinvoller dan altijd maar die pensioenleeftijd als maatstaf te hanteren. Zeker als je in overweging neemt dat een laagopgeleide vrouw gemiddeld 18 jaar minder lang in goede gezondheid leeft dan een hoger opgeleide vrouw.

We kwamen toen uit op een loopbaan van 42 jaar die zekerheid moet bieden op een pensioen van minstens 1.500 euro. Voor elke werkende, ook zelfstandigen. Dat is gemiddeld - en effectief - drie jaar langer werken dan nu het geval is. Maar daar staat dan weer minstens 1.500 euro pensioen tegenover. En wie meer werkt dan die 42 jaar, verdient gewoon meer pensioen, zo simpel is het. Da’s ook het enige dat rechtvaardig is, als je van mensen vraagt om langer te werken en langer bij te dragen. Dan moet daar iets tegenover staan en moeten we die prikkel weer invoeren, en niet afvoeren, zoals de Zweedse partijen in 2015 deden.

Kortom, werken moet weer lonen en net daarom staren wij ons in ons nieuw pensioenmodel niet langer blind op de leeftijd. De focus bij ons ligt op die 42 jaar loopbaan, waarbij de grendel van 65 jaar de grens is waar je zeker met pensioen moet kunnen, als je dat zelf wil.

En dan rest de eeuwige vraag naar de betaalbaarheid. Uiteraard hebben we ook die oefening minutieus gemaakt. Het Planbureau heeft ze nagerekend. En tot spijt van wie het benijdt: onze rekening klopt. Ons nieuw pensioenmodel is haalbaar en betaalbaar. En we steken ons niet weg: zekere pensioenen vragen een forse investering. Politiek is niet alleen een kwestie van eerlijkheid of van moed, maar ook van keuzes maken. Wel, wij kiezen er resoluut voor om die investering te doen, door onder meer een solidariteitsbijdrage te vragen van de allerhoogste pensioenen.

Samen met de pensioenexperts  ben ik ervan overtuigd dat je met enkel kortetermijnoplossingen geen pensioenstelsel bouwt dat de tand des tijds doorstaat. De enige boodschap die jongeren vandaag krijgen, is dat ze altijd maar langer zullen moeten werken voor een steeds lager en vooral onzeker pensioen. We moeten dat omdraaien: nu zekerheid bieden over de lengte van de loopbaan en het pensioenbedrag dat ze daarmee kunnen verdienen. En laat dan nu net zijn wat we met ons nieuw pensioenmodel doen.