Meer dan 34.000 vennootschappen, bijna één op tien, hebben vorig jaar geen belastingaangifte ingediend. Het aantal vennootschappen dat aan een grondige fiscale controle wordt onderworpen varieert van 1% in Nijvel, over 3% in Brussel, tot 7% in Roeselare. Er zijn dus jaarlijks meer vennootschappen die geen aangifte indienen dan er vennootschappen zijn die grondig gecontroleerd worden.

Bovendien neemt het aantal niet-indieners al enkele jaren gestaag toe. Niettegenstaande ook vennootschappen in vereffening en zogenaamde slapende vennootschappen bij die niet-indieners horen, noemt de algmenee directeur van de centrale belastingadministratie de stijging ‘geen goed teken' (DS van zaterdag 27/11). Dat is nog zacht uitgedrukt. Wie geen aangifte indient betaalt immers geen belasting en zonder aangifte kan niet worden nagegaan of er sprake is van fraude. De niet-indieners eigenen zich dan ook een onaanvaardbaar concurrentieel voordeel toe tegenover ondernemingen die wel een belastingaangifte indienen en eerlijk hun fiscale bijdrage leveren. Bovendien creëert de huidige situatie op zijn minst een perceptie van straffeloosheid dewelke het fiscale draagvlak ondergraaft. Steeds meer mensen vragen zich af waarom zij zich nog naar de fiscale wetgeving zouden schikken terwijl een groot deel van de belastingplichtigen er zich ongestraft aan kan onttrekken. Toch denken particulieren beter twee keer na voor ze beslissen geen aangifte in te dienen. Hun inkomsten zijn gekend door de fiscus en het niet indienen van een aangifte zal resulteren in een ambtshalve belasting op die gekende inkomsten met een boete en/of belastingverhoging er bovenop. Voor een vennootschap liggen de zaken anders omdat diens inkomsten niet zijn gekend.

Aanslag van ambtwege

Tien jaar geleden al bond het Rekenhof de kat de bel aan. Het aantal vennootschappen dat geen aangifte indiende liep op tot meer dan 15 % van de belastingplichtigen in Brussel en in de regio Charleroi en tot meer dan 10 % in de regio Antwerpen. "Bij misbruiken blijken deze belastingplichtigen vaak de dans te ontspringen" schreef het Rekenhof en concludeerde dat de acties van de administratie geen succes kenden. Eén van de eerste wetsvoorstellen die ik als nieuw lid van de commissie Financiën in 2004 indiende er was dan ook op gericht de administratie een krachtig wapen te geven waarmee deze problematiek kon worden aangepakt. Het voorstel hield in de regeling van de forfaitaire minimumwinsten voor buitenlandse ondernemingen uit te breiden tot alle ondernemingen. De toenmalige regering nam het voorstel in 2005 over en sindsdien kunnen niet-indieners worden belast volgens een forfaitair inkomen dat afhankelijk is van het aantal personeelsleden en de sector waarin de onderneming actief is. In 2006 bepaalde de regering dat die forfaitaire winst in geen geval lager mag zijn dan 19.000 euro. Als de betrokken vennootschap kan aantonen dat zij minder winst heeft gemaakt, wordt de aanslag herzien. De maatregel was niet zonder gevolg: voor aanslagjaar 2007 waren er 1808 minder vennootschappen die geen aangifte indienden dan voor aanslagjaar 2006. Het effect bleek echter van korte duur aangezien het aantal niet-indieners sindsdien weer elk jaar toeneemt.

Waar knelt het schoentje?

Minister van Financiën Reynders verklaarde vorige woensdag in de commissie Financiën dat de aanslag van ambtswege de regel is. Het is dan ook merkwaardig dat slechts één op vier niet-indieners door de administratie forfaitair belast wordt. Ofwel zijn er teveel uitzonderingen op de regel, ofwel zijn er wel erg veel slapende vennootschappen. In beide gevallen zijn er dringend maatregelen nodig. Slapende vennootschappen wijzen niet per definitie op misbruik, maar doorgaans worden ze wel gebruikt voor onkoosjere zaken. In zowat alle fraudedossiers duiken constructies met postbusvennootschappen op. Niet zelden zijn dit vennootschappen die na een aantal jaar slapen in één of andere schuif gewekt worden, waarna ze voor fraudedoeleinden worden ingezet. Ze worden gewoon openlijk op het internet aangeboden. Laat ons daar komaf mee maken door vennootschappen na een bepaalde periode van inactiviteit gewoon te schrappen, behoudens wordt aangetoond dat daar een legitieme reden voor is. Voor de andere niet-indieners moet de forfaitaire aanslag de regel zijn, zonder uitzondering. Tenslotte moeten de bedragen die worden gebruikt om de forfaitaire winst te bepalen worden aangepast. Dat is al vele jaren niet gebeurd. Ze worden zelfs niet geïndexeerd. Voor sommige vennootschappen is het dan ook voordeliger forfaitair belast te worden dan een aangifte in te dienen. Ook dat is een mogelijke verklaring voor het grote aantal niet-indieners.  Ik heb minister Reynders hierover al verschillende malen geïnterpelleerd in de Kamer. Zijn antwoorden evolueerden van 'ten spoedigste onderzoek hiernaar' (2005) naar 'onderzoek bijna afgerond' (2007) tot 'onderzoek afgerond, het dossier ligt ter studie' (2009). Het is nu november 2010 en de bedragen voor de berekening van de forfaitaire minimumwinsten zijn nog steeds dezelfde. "Ten spoedigste" is voor minister Reynders een rekbaar begrip. De volgende minister van Financiën zal dus ook dit dossier vinden in de puinhoop die Didier Reynders achterlaat bij Financiën.     

 

Dirk Van der Maelen

 

Deze opiniebijdrage verscheen in De Standaard van 29 november 2010.

www.standaard.be