Dankzij het moedige verzet van de Waalse en Brusselse regeringen, kan België het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Canada niet ondertekenen. De voorstanders van CETA en de media doen nu alsof enkel het kleine Wallonië zich verzet tegen dit verdrag. Niet is minder waar: het verzet is gedragen door een brede waaier van middenveldorganisaties, burgers en politieke partijen in gans Europa. In het Vlaams parlement vertolkt Güler Turan hun stem. Met veel vuur verdedigde ze vandaag haar resolutie, waarin sp.a de regering vraagt om CETA niet goed te keuren.

U kan het debat in het Vlaams parlement van 19 oktober hier herbekijken en het verslag nalezen.

Ons voorstel van resolutie kan u onderaan dit artikel downloaden.

Debat CETA wordt afgeblokt

Al sinds juni ligt de resolutie waarin sp.a de Vlaamse regering vraagt om CETA niet goed te keuren, stof te vergaren. Pogingen om het debat over CETA op de agenda te krijgen, werden keer op keer afgeblokt door de meerderheidspartijen. Nochtans gaat het om een bijzonder ingrijpend verdrag, met verregaande gevolgen voor ons welvaartsmodel. Tot N-VA dan vorige week ook zelf een resolutie indiende, waarin ze vragen om CETA goed te keuren. Het bleek geen probleem om die resolutie vandaag nog, via een spoedprocedure, op de agenda te plaatsen. "Dit debat komt rijkelijk te laat, want op 16 september gaf de Vlaamse regering haar fiat al aan de federale regering om het verdrag goed te keuren. Deze gang van zaken bevestigt de zweem van geheimzinnigheid en achterkamerpolitiek die rond deze handelsverdragen hangt. Dan moet je niet verschieten dat de achterdocht toeneemt en het maatschappelijk draagvlak voor dergelijke verdragen wegzakt. Dit is ongehoord, getuigt van een gebrek aan respect voor de rechten van de oppositie en maakt een open debat onmogelijk," reageert Güler Turan ontgoocheld.

Maar de strijd is nog niet over. Voorlopig houdt Wallonië stand en weigert minister-president Paul Magnette zijn toestemming te geven aan minister van Buitenlandse Zaken Reynders om CETA te ondertekenen. Bovendien moet het Europees parlement het verdrag nog ratificeren (wellicht eind 2016 of begin 2017) en vervolgens ook de nationale parlementen van de lidstaten. Omdat CETA een gemengd verdrag is moet het in België dus door alle betrokken deelparlementen en het federale parlement  nog geratificeerd worden na de ondertekening.

CETA kan nog steeds gestopt worden door politieke druk op de parlementen van de EU-lidstaten (en in het geval van België op alle betrokken parlementen) die het verdrag nog moeten ratificeren.Hieronder leest u waarom CETA zoals het nu voorligt, geen goed akkoord is.

CETA verkleint ruimte om beleid te voeren in het belang van de burgers

Handelsakkoorden zoals CETA en TTIP zijn geen handelsakkoorden zoals we ze gewoon zijn. Ze gaan immers niet zozeer over het verlagen of afschaffen van invoertarieven, zoals bij vroegere handelsakkoorden het geval was. De meeste geïndustrialiseerde landen hanteren immers al zeer lage invoertarieven. Daarom focussen CETA en TTIP vooral op het gelijkschakelen van regelgeving en standaarden. Als die verschillend zijn tussen handelspartners, dan kan dat een extra kost voor exporterende bedrijven met zich meebrengen. Het gevolg is dat de onderhandelaars van deze vrijhandelsverdragen zowat elke binnenlandse regelgeving als een ‘handelsbelemmering’ gaan beschouwen.

Voor het internationale bedrijfsleven, de multinationals dus, is deze nieuwe generatie handelsakkoorden dan ook het gedroomde instrument om regelgeving naar hun hand te zetten. Maar het gaat hier wel om democratisch tot stand gekomen regels die het belang van het volk dient. Het gaat hier over regels inzake milieu, gezondheid, publieke dienstverlening,  veiligheid, consumentenbescherming, intellectueel eigendom, voedselveiligheid, enzovoort. Deze nieuwe generatie handelsakkoorden dringt diep door in het weefsel van onze samenleving. Te diep, wat ons betreft.

De ruimte voor overheden om een beleid te voeren wordt ingeperkt. CETA is bijvoorbeeld het eerste EU-handelsakkoord waarbij  “negatieve lijsten” worden gebruikt voor de liberalisering van diensten. Dat wil zeggend dat alle diensten geliberaliseerd kunnen worden, behalve diegene die een expliciete uitzondering krijgen. Daardoor zijn er onvoldoende garanties voor de bescherming van publieke dienstverlening tegen liberalisering. Ook beperkt CETA de mogelijkheden om financiële crisissen in de toekomst te voorkomen. Zo laat CETA bijvoorbeeld niet toe dat staten een beperking instellen op de grootte van financiële instellingen, waardoor banken die “too big to fail” zijn, niet kunnen worden aangepakt. CETA verbiedt ook het instellen van een plafond op de omvang van de financiële transacties en beperkt op die manier de mogelijkheid tot regulering en belasting.

De bepalingen van CETA over duurzaamheid en werknemersrechten, zijn bovendien niet bindend, noch afdwingbaar.

Het bedrijfsleven krijgt nog meer macht

CETA voorziet in de oprichting van het zogenaamde 'Regulatory Cooperation Forum'. In dit orgaan zetelen hoofdzakelijk multinationals en moeten overheden plannen voor nieuwe regels voorleggen ter goedkeuring. Hier zullen wetgevende initiatieven beoordeeld worden nog voordat er in parlementen over gedebatteerd wordt. Het debat over nieuwe wetten verplaatst zich zo van democratisch gelegitimeerde parlementen naar besloten werkgroepen. Het geeft een extra en bevoorrechtte ingang voor het internationale bedrijfsleven om hun belangen via zogenaamd technische discussies te behartigen.

De te sterke lobby van het bedrijfsleven neemt nu al bijzonder problematische proporties aan, zoals Dieselgate en de grootschalige belastingontwijking aantonen. Als die multinationals via dergelijke regelgevende samenwerking hun zin niet krijgen, kunnen ze ook nog eens naar een aparte rechtbank om daar schadevergoeding te eisen voor regelgeving die hen niet aanstaat. Dit schrikt overheden af om ambitieuze wetgeving door te voeren om bijvoorbeeld het milieu te beschermen of ongelijkheid tegen te gaan, de zogenaamde ‘regulatory chill’.

CETA kost belastinggeld aan schadevergoedingen voor multinationals

CETA voorziet in de oprichting van het zogenaamde “Investment Court System”. Dat is een exclusief arbitragehof speciaal voor buitenlandse investeerders dat hen toelaat om democratisch gestemde regelgeving aan te klagen en compensatie te eisen, wanneer zij menen dat die regelgeving hun winst in de weg staat. Binnenlandse bedrijven, gewone burgers en middenveldorganisaties hebben geen toegang dot deze “rechtbanken”. Het is ook onwaarschijnlijk dat onze kmo’s een zaak aanspannen voor het ICS, aangezien een rechtszaak gemiddeld 8 miljoen euro kost.

Er is een reëel risico dat overheden zichzelf gaan censureren bij het formuleren van wetten om grote schadeclaims van bedrijven te voorkomen. Dat zet opnieuw een rem op beleid in het algemeen belang. In het verleden heeft de stad Hamburg bijvoorbeeld een schadeclaim ontvangen van het bedrijf Vattenvall dat haar plan om een kolencentrale te bouwen bedreigd zag door aangescherpte milieuregels. Een ander bekend voorbeeld betreft het Franse bedrijf Veolia, dat de Egyptische overheid heeft aangeklaagd omdat zij had gedurfd om een minimumloon in te voeren. Met CETA lopen onze regeringen dus het risico om miljoenen of zelfs miljarden euro’s aan belastinggeld te moeten betalen aan multinationals wanneer zij regelgeving invoeren in het belang van het volk.

Het klopt dat het ICS een verbeterde versie is van het ISDS (investor-state-dispute-settlement) dat aanvankelijk in CETA ingeschreven stond, zeker qua transparantie en procedures, maar dat neemt een aantal fundamentele bezwaren niet weg. Er is nooit aangetoond waarom we deze extra bescherming van buitenlandse investeerders nodig hebben in goed functionerende rechtsstaten zoals Canada en de EU. Waarom zouden we buitenlandse investeerders privileges geven die anderen niet hebben zonder dat ze extra plichten krijgen om verantwoord te ondernemen?

Voor sp.a blijft de verwijdering van ICS uit het CETA een fundamenteel breekpunt, omdat:

1. het de totstandkoming van ambitieuze regelgeving in het publieke belang op domeinen zoals milieu, klimaat, fiscaliteit, arbeidsrechten, mensenrechten, gezondheid, veiligheid en voedselveiligheid kan verhinderen

2. het indruist tegen het principe van gelijkheid voor de wet, omdat buitenlandse investeerders uitgebreide rechten en bescherming genieten die niet toegankelijk zijn voor binnenlandse bedrijven, burgers en middenveldorganisaties

3. de procedure voor de aanstelling van de rechters van het ICS niet voldoet aan de internationale vereisten voor de onafhankelijkheid van de rechtspraak, zoals onder andere vastgelegd in de  europese Magna Carta van rechters

4. er geen nood is aan een apart, permanent arbitragetribunaal speciaal voor investeerders zoals het ICS, aangezien de EU en haar lidstaten democratische rechtsstaten zijn met goed functionerende rechtssystemen die afdoende bescherming bieden aan investeerders

5. de oprichting van het ICS niet de goede manier is om rechtszekerheid te garanderen en dat dit beter gebeurt door de nationale rechtbanken van EU-lidstaten te versterken en te ondersteunen

6. het ICS op gespannen voet staat met de Europese rechtsorde en de uniforme toepassing van Europese wetgeving ondermijnt. Op 13/10 waarschuwden 101 professoren recht van universiteiten in gans de EU in een open brief dat het ICS de Europese rechtsorde ondermijnt. Zij verzetten zich uitdrukkelijk tegen deze privileges voor buitenlandse investeerders.

Hoogst onzekere en beperkte economische voordelen wegen niet op tegen risico’s

De economische baten die de analyses die de Europese Commissie liet uitvoeren – en waarvan wij menen dat zij gebaseerd zijn op onrealistisch optimistische veronderstellingen – zijn bijzonder schamel. Zo voorspelt de laatste impactanalyse, de Trade Sustainability Impact Assessment (SIA) van 2011, dat het Europese BBP maximaal met 0,03% zal toenemen als gevolg van CETA.

In september is er echter een nieuwe impactanalyse verschenen, waarin economen van de Tufts University gebruik maken van een ander econometrisch model (het United Nations Global Policy Model, GPM). Dit model is volgens ons objectiever en realistischer dan het CGE-model. Zij voorspellen dat als gevolg van CETA:

•          Het Europese BBP zal dalen met 0.49%

•          204.000 jobs in de EU zullen verdwijnen

•          de ongelijkheid zal toenemen: tegen 2023 zal het aandeel van het BBP dat naar kapitaalsinkomsten gaat toenemen met 0,66%, terwijl arbeiders hun lonen zullen zien dalen met tussen de 316 en 1331 € (gemiddeld op jaarbasis)

De fundamentele vraag die we moeten stellen, is: “Zijn we bereid zijn om in ruil voor hoogst onzekere economische baten aanzienlijke verworvenheden op het spel te zetten?”. Het antwoord daarop is wat ons betreft, klaar en duidelijk: neen!