New York 2001, Madrid 2004, Londen 2005 en sinds 7 januari kunnen we Parijs 2015 aan die ellendige zwarte lijst voegen. Telkens weer gebeurt het: als terreur heel dicht bij ons komt, worden we wakker geschud. Dan delen we onze afschuw en staan we versteld. De manier waarop miljoenen mensen zij aan zij hun verontwaardiging hebben getoond, biedt niet alleen troost. Het bewijst bovenal het ongelijk van zij die niet geloven dat we tegenstellingen, verschillende godsdiensten, overtuigingen of tradities kunnen overbruggen. Precies daarom moeten we van 7 januari een positief kantelmoment maken.

Al heb je de grootste vuurkracht van de wereld, een verdeelde samenleving is niet opgewassen tegen terreur.

Wat we kunnen doen om gewelddadig radicalisme te bestrijden, moeten we doen. Repressie is een evidentie, maar dat is preventie evenzeer. Al heb je de grootste vuurkracht van de wereld, een verdeelde samenleving is niet opgewassen tegen terreur. Daarom is een preventief beleid gericht op sociale integratie zo belangrijk. Straathoekwerk, jeugdwerk, onderwijs, tewerkstelling, allemaal domeinen waarin extra investeringen nodig zijn, in plaats van besparingen. Om de voedingsbodem voor radicalisering weg te werken en meer verbondenheid te creëren. Verbondenheid maakt onze samenleving immers sterker en weerbaarder.

Het valt me op dat in de discussies die nu lopen over het bestrijden van radicalisering sommige beleidsmakers zich uitputten in het ontkennen van de risico’s van discriminatie en sociale achterstelling. Er is echter genoeg wetenschappelijke evidentie die aantoont dat een gepercipieerd gevoel van onrechtvaardigheid in combinatie met een sterke polarisatie tussen groepen, een vruchtbare voedingsbodem is voor radicalisering. En dat is een fenomeen van alle tijden. Dat wil niet zeggen dat enkel zogezegde kansarmen vatbaar zijn voor radicalisering. Je kan bijvoorbeeld perfect als gediplomeerde en geslaagde moslim getroffen zijn door de structurele achterstelling van geloofsgenoten en daardoor openstaan voor radicale visies tegen die samenleving die 'moslims niet als volwaardige burgers zou aanzien'. Bovendien wordt dat radicaliseringsproces extra getriggerd door de blootstelling aan extremistische boodschappen, om van de verwoestende impact van haatpredikers op het internet nog maar te zwijgen. Kortom, de preventieve aanpak van terreurbedreiging moet voluit gaan voor inclusie. Die inclusie moet gericht zijn op de aanpak van sociale achterstelling en discriminatie, maar ook op de inclusie van de islam in onze samenleving. Er is geen dringender en geen dwingender momentum dan nu.

De aanpak van structurele achterstelling heeft uiteraard betrekking op de dramatische positie van etnisch-culturele minderheden in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Een beleid gericht op effectieve kansen (met andere woorden, in de feiten en niet enkel op papier) in combinatie met een voluntaristisch diversiteitsbeleid gericht op het tonen in plaats van neutraliseren van diversiteit zijn hierbij cruciaal. Uiteraard moet je elkeen ook aanspreken op zijn of haar individuele verantwoordelijkheid om die kansen te grijpen. Een kansenbeleid is alleen geloofwaardig als daartegenover ook een effectief anti-discriminatiebeleid staat.Daarom moeten we dringend werk maken van bindende streefcijfers en van praktijktesten. Zonder praktijktesten is discriminatie quasi niet vast te stellen en dus niet aan te pakken. Inclusie van de islam in onze samenleving, wil niet zeggen het louter 'tolereren' van de islam, maar wel de islam zien als integraal deel van onze samenleving. Wat ook vanuit de moslimgemeenschap zelf veel meer moet uitgedragen worden. Zo mag er geen enkele dubbelzinnigheid rijzen over het onderschrijven van de fundamentele rechten en vrijheden van onze rechtstaat. Dit geldt ook voor andere religies en ideologieën. Meer dan ooit moeten we gezamenlijk opkomen voor de grondrechten die ons allen zo dierbaar zijn. Dat kan op verschillende manieren, vormen en plaatsen: thuis, tijdens de islamles in de moskeeën en in de klas. Het charter tegen radicalisering en voor burgerschap dat de Belgische moslimgemeenschap op 22 januari uitbracht is alvast een sterk en hoopvol signaal.

Inclusie van de islam in onze samenleving betekent ook dat meer moskeeën moeten worden erkend en ondersteund en er werk wordt gemaakt van imamopleidingen in Vlaanderen. Het anti-radicaliseringsbeleid zet nu sterk ik op het tijdig detecteren van extremistische predikers en moslims. Daartegenover moet er een beleid staan dat meer inzet op het detecteren en aanpakken van islamofobie en anti-semitisme. De recente terreurdreiging heeft de polarisering en de islamofobe incidenten doen stijgen. Een waakzame en alerte aanpak is ook op dat vlak broodnodig. In Frankrijk hebben ze die boodschap begrepen: discriminatiebestrijding is heel uitdrukkelijk opgenomen in het antiterreurpakket. Of deze anti-discriminatiemaatregelen effectief zijn, zal nog moeten blijken, maar het is in ieder geval positief dat discriminatiebestrijding wél mee als prioriteit wordt vooropgesteld. In Vlaanderen zit men jammergenoeg nog steeds in de ontkenningsfase.

Dit opiniestuk verscheen op Kif Kif