Een politieke partij ontstaat vanuit een vertegenwoordigingsgedachte. Ze streeft ernaar overtuigingen of minstens belangen van groepen uit de samenleving te vertegenwoordigen. Als ze daarin succesvol is, is een politieke partij, zoals de Fransen dat  mooi uitdrukken "en phase avec son électorat". Als ze niet succesvol is, is ze “en déphase”.

Die vertegenwoordigingsgedachte is doorslaggevend op twee terreinen. Het eerste terrein is het sociaal-economische. Het tweede het sociaal-maatschappelijke.

Wanneer een partij, zowel op sociaal-economische thema's als op sociaal-maatschappelijke thema's, met haar kiezers "en phase" is, betekent dat er homogeniteit is tussen een partij en haar kiezers. Wanneer een partij op één van die twee terreinen niet langer "en phase" is, maar standpunten inneemt waarmee een deel van haar kiezers zich niet kan identificeren, is er heterogeniteit.

Indien een partij zowel op sociaal-economische als op sociaal-maatschappelijke thema's van de opvattingen van haar kiezers afwijkt, is er zelfs  dubbele heterogeniteit. Alleen grote partijtrouw of charismatisch leiderschap kan die partij dan tegen politieke vervreemding beschermen.

Een korte geschiedenis van mijn partij, de sp.a, vanaf de jaren ’80 onderbouwt deze stelling.

In de jaren '80 is de situatie van de toenmalige SP een situatie van homogeniteit. De SP is een oppositiepartij die op de meeste thema's flink in tegenstroom was met de (oranje-blauwe) regering Martens-Gol. Ze is sterk vertegenwoordigd bij de arbeiders of het overheidspersoneel, maar matig bij de hogere middenklasse. Sociaal-maatschappelijk is de SP een aanvaller. Het rakettenstandpunt zorgt voor de mobilisatie van een generatie. De Operatie Doorbraak van Karel van Miert speelt goed in op de vaststelling dat de tegenstelling tussen clericaal en anti-clericaal veel van haar scherpte verloren is.

Op die beruchte zwarte zondag in 1991 wordt de relatief homogene SP met een ruwe smak wakker. De partij heeft de migratieproblematiek niet zien komen. Louis Tobback probeert in de eerste helft van de jaren ’90 van veiligheid nog een nieuw “flinks”-thema te maken. Maar hij botst op een partij die daarvoor niet klaar is. Het gevolg is dat de partij zich eenzijdig richt op sociaal-economische thema's, zoals de sociale zekerheid. Zelfs in die mate dat de toenmalige SP een one-issuepartij wordt genoemd.

Na de zware verkiezingsnederlaag van juni 1999 gooit de partij radicaal het roer om. De partij kiest voor een open model. De nieuwe voorzitters Patrick Janssens en Steve Stevaert breken met een aantal klassieke denkpatronen. Nieuwe thema’s, zoals mobiliteit en verkeersveiligheid, worden aangeboord. Politici als Johan Vande Lanotte en Frank Vandenbroucke zorgen ervoor, met voorstellen zoals het Zilverfonds of de maximumfactuur, dat de partij zijn sociaal profiel behoudt. Het model slaat aan: in 2003 winnen we de verkiezingen. Maar de partij is vermoeid geraakt. 18 jaar regeringsdeelname heeft haar laatste reserves op sociaal-economisch vlak aangetast. Een aantal moeilijke beslissingen, zoals het generatiepact, vervreemden haar van een deel van haar kiezers. Ze is niet langer de partij van de spoormannen, maar van de spoorbazen. We kennen allemaal het resultaat van 10 juni. Homogeniteit is dubbele heterogeniteit geworden.

Twee grote data zijn voor mij doorslaggevend om de weg die we nu moeten volgen te bepalen. De eerste datum is 9/11. Welke lectuur je ook aan 9/11 geeft, de tijd om over thema's als veiligheid en migratie gegêneerd opzij te kijken, is voorbij. Het is dé uitdaging voor elke socialistische partij om een duidelijk antwoord te geven dat zowel het haatdiscours van extreem-rechts als het sorry don't worry-verhaal van sommigen te boven gaat.

De andere belangrijke data is de datum van de referenda over de Europese Grondwet die in 2005 in Nederland en Frankrijk plaatsgevonden hebben. Het zijn socialistische kiezers die in die referenda het verschil tussen ja en neen gemaakt. Het zijn onze kiezers die neen hebben gezegd tegen het Europa van liberalisering en een interne markt zonder geloofwaardig sociaal tegengewicht.

Het is al té gemakkelijk om die houding met Euro-scepticisme gelijk te stellen. We moeten aan de globalisering van de economische en maatschappelijke ruimte de globalisering van de politieke ruimte doen beantwoorden. We kunnen als Europese socialisten onze houding van ‘benign neglect’ tegenover Europa niet langer veroorloven. Als we er niet in slagen de Europese instellingen, die zich als een soort “machine célibataire” gedragen, een democratiseringsshock toe te brengen, kunnen we niet slagen.

De socialistische partijen waren in de jaren ’90 succesvol door hun centrumkoers, maar wisten geen antwoord te geven op de groeiende onzekerheid door de globalisering. Daar ging de centrumkoers de mist in. Zo ontstond de “en déphase” met de eigen achterban. Ondertussen bleek de “en phase” met de centrumkiezer heel volatiel. Zo verloren de socialisten op twee fronten. Dat moeten we nu omkeren door op het Europees niveau zowel op sociaal-economische als op sociaal-maatschappelijke thema’s een sterk programma op te bouwen. Dat programma kan niet vrijblijvend zijn. De referenda tonen aan dat onze kiezers van ons verwachten dat we een stap verder gaan en verdere steun aan het Europees project van de realisatie van dat programma afhankelijk maken.

Enkel indien we die moeilijke weg volgen kan de dubbele heterogeniteit waar ik het daarnet over had opnieuw homogeniteit worden.


Caroline Gennez
sp.a-voorzitter


Dit opiniestuk is een verkorte en geactualiseerde versie van de inleiding die Caroline Gennez op de debatavond van de Gerrit-Kreveld Stichting op 24 oktober gaf.