Naar aanleiding van 100 jaar socialistische beweging in Sint-Andries was Caroline Gennez afgelopen weekend, 8 november, te gast op de festiviteiten. De speech kan u hier integraal nalezen.Hier op deze plek moet ik bescheiden zijn. Véél bescheidener dan in andere streken van Vlaanderen. Want hier in Sint-Andries is onze partij gesticht. Ze heette nog lang niet sp.a, en eigenlijk werd de eerste stap in het stichtingsproces ook niet echt hier gezet, maar het serieuze werk heeft toch wel in de zogenaamde Rode Burcht plaats gevonden.

Het was op de Brusselse Grote Markt dat in 1885 de Belgische Werkliedenpartij geboren werd, maar de partij werd pas levensvatbaar in augustus van datzelfde jaar in lokaal Den Engel, wat vandaag nummer 3/4 van het Sint-Andriesplein is. Het is geen toeval dat precies daar vandaag sociale woningen staan. Dertig procent van alle woningen hier in de wijk zijn sociale woningen. Dat zijn spectaculaire cijfers die de Europese koploper, Nederland (34 pct), naar de kroon steken. België telt slechts 6 procent sociale woningen; in Vlaanderen ligt het gemiddelde nog iets lager. Antwerpen scoort heel goed met ruim 12 procent sociale woningen. Dat er hier zo druk gebouwd werd, is ontegensprekelijk de verdienste van onze partij, beste vrienden. Dat lezen we zelfs in het partijblad van de wijk: “De socialisten hebben tegen de plaag van de krotwoningen den strijd aangebonden. Zij zullen deze politiek van gezonde huisvesting voor onze bevolking doorzetten. De laatste krotwoning moet met den grond gelijk gemaakt worden.” Maar het was ook nodig om deze wijk uit het moeras te halen. Sint-Andries noemen wij trots de Rode Burcht, maar dat andere koosnaampje, de Parochie van Miserie, of zelfs de Luizenbuurt, maakt duidelijk dat de mensen hier bittere armoede kenden. In 1920 woonden er hier in de wijk 32.000 mensen. Sint-Andries was een stevig dorp in de stad, met een populatie die die van de huidige stad Lier evenaart en die van Mortsel overklast. Vandaag wonen er zo’n 7500 mensen in Sint-Andries, één vierde van de bevolking van tijdens de hoogdagen van de parochie van miserie. De mensen woonden in beluiken en stegen. Dat klinkt misschien sympathiek, maar het waren krotten, pesthuizen, ongezonde woningen, benepen plekjes waar grote gezinnen op elkaar gepakt zaten. Met een gezin van tien leefden de mensen in één kamer. Eén kamer. De bevolking bestond uit ambachtslieden, marktkramers, kleine winkeliers, maar vooral pakkendragers, boodschappers, dokwerkers en arbeiders. Eigenlijk was het hele leven in de wijk afgestemd op de haven, zowel de middenstand als de arbeiders. De mensen werkten hard, keihard, vaak meer dan twaalf uur per dag. Al vroeg was hier een socialistische propagandakring actief. In 1893, drie jaar nadat de eerste 1 meistoet door Antwerpen trok, zat die kring in de Lange Vierstraat. Maar in 1909, nu honderd jaar geleden, ontstond de propagandakring 4de wijk, zoals Sint-Andries ook nog heet. Drijvende kracht was John Wilms, die later schepen van Antwerpen werd - en dat tot 1970 - en voorzitter van de sociale woningmaatschappij Huisvesting, die hier heel wat sociale woningen heeft gebouwd. Vanuit die kring ontstonden allerlei ontspanningsclubs, zoals het Rode Wiel, de Pijpenrokers, de Rode Bal, de bakspelers en later de turnkring De Hoop en voetbalkring Rode Zon. Maar er waren ook linken naar de vakbond, de zogenaamde bond van stadswerklieden, de latere ACOD of de sigarenmakersbond. Die eerste jaren stond de werking in het teken van het algemeen stemrecht dat na WOI werd ingevoerd. Ja, ook dat recht hebben wij afgedwongen.

 

In het lokale partijblad De Roode Burcht lezen we staaltjes van onvervalste socialistische dichtkunst. Ik kan het niet laten er uit te citeren:

 

Wie ging den woningnood te keer

En bouwde huizen meer en meer

Voor d’arbeidersgezinnen?

Wie bracht aan school en boekerij

Zijn rijksten steun en zorgen bij?

Wie hielp den geest ontginnen?

Wie heeft alhier het nieuw gedacht

Van vakschool dra tot stand gebracht?

 

De socialistische partij

Zij heeft met klem gezeid:

‘Naast ‘t lichaam ook ‘t verstand,

 de bourgeoisie ten spijt’

 

Het volkse leven in Sint-Andries was hard, maar daarom niet minder plezant. Tijdens de zomer leefden de mensen op straat. Ze moesten wel. Maar zo kende iedereen mekaar en bloeide er een rijk volksleven. Het bulkte hier van de typetjes: Mie Kop Karton, omdat Mie haar vals plafond op haar hoofd had gekregen; Lowieke Staal, de kleinste man van Antwerpen; Zwarte Jef ‘me zene Jap’ (zwarte Jef met zijn dropjes), coiffeur John ‘t half souke, naar het drinkgeld dat hij graag ontving; of Mie Mossel, die zo niet heette omwille van haar losse zeden, maar omdat de arbeiders bij haar een ‘koemmeke’ mosselen kwamen eten. Ik moet zeggen dat het recept van Mie Mossel mij wel iets zegt: verse mosselen in de pan, met een geklutst ei er over.

Nagenoeg alle socialistische strijdpunten kwamen hier aan bod, strijdpunten die vandaag nog actueel zijn, hoewel we er soms andere namen voor hebben bedacht. Vandaag klaagt Freya de wurgende huurprijzen op de privé-markt aan en strijden wij voor gezonde, goed geïsoleerde en betaalbare woningen. Wij vechten vandaag voor wat we consumentenrechten noemen. In 1938 schreven we: ‘t Is al erg genoeg dat wij dure centjes moeten betalen voor slechte waar, dat w’er nog de kans moeten bij loopen ons lichaam er te zien bij ondergaan.” Vandaag vechten wij voor gratis kinderopvang, voor buitenschoolse opvang en vakantieopvang. Vijftig jaar geleden zeiden wij hier in Sint-Andries: “Wie beter dan de socialisten begrijpen dat niet alle moeders hun kinderen tijdens de vacantiedagen naar het strand of den buiten kunnen zenden?” Wij hebben gezorgd voor allerlei voorzieningen voor kinderopvang tijdens de zomermaanden. Vandaag worden wij geconfronteerd met migratieproblemen, maar in de Roode Burcht van december 1963 las ik al over gelijkaardige problemen:

Donald Slovik was de jongen

van een Poolse emigrant,

die, door broodsgebrek gedwongen,

uitweek naar ‘t Beloofde Land.

Hij wies op in armenwijken

als de zondebok der school

want boefjes, zijn gelijken,

negeerden de schuwe Pool.

 

Twintig jaar later zong Wannes van de Velde:

 

Ze kwamen van het zuiden en van den Afrik

Om hier aan wat brood te geraken

verjaagd door den honger, bespot door een kliek

 

Beste vrienden, Alles komt terug. De onrechtvaardigheid krijgt andere namen, schuilt in de nieuwe uitdagingen van de toekomst, wordt nog steeds bedacht door casinokapitalisten en hun graaicultuur. In wijken zoals Sint-Andries ondervindt men dat aan den lijve. De socialistische beweging heeft hier haar ups en downs gekend. Ook vandaag vragen sommigen zich af of het socialisme in deze wijk nog leeft, nu er ook sjieke lofts in de buurt verhuurd worden en de internationale modehuizen zich hier hebben gevestigd, op een steenworp van trendy antiekzaken. Ik maak me daar niet zo veel zorgen over. Onze beweging is een beweging van verontwaardiging over onrechtvaardigheid, een beweging die streeft naar gelijkheid, naar betere kansen voor onze kinderen, naar sociale rechtvaardigheid. In een inmiddels tachtig jaar oud artikel in De Roode Burcht las ik over het afkalven van de aantrekkingskracht van de socialistische partij bij de jongeren. De auteur schrijft: “Ik vraag me dikwijls tevergeefs af of er nog wel jonge socialisten in de vierde wijk zijn. Wanneer er werkelijk nog zijn, dan vind ik het heel verwonderlijk dat ze zoo weinig van zich doen hooren. Voor zover ik heb kunnen nagaan zijn het bijna allemaal oudere partijgenooten, veteranen zelfs, die aktief deelnemen aan de werking van onzen propagandakring. Dat is in zekere zin begrijpelijk, wanneer wij nagaan dat het voor jonge menschen heel wat aantrekkelijker is naar kinema of dancing te gaan, ofwel de eene of andere sportmeeting te gaan bijwonen. (…)” Maar ook deze schrijver had zo’n tachtig jaar geleden goede hoop, want “de socialistische beweging is te schoon, het ideaal is te verheven, opdat gij niet in u zoudt voelen branden, het verlangen om al te geven wat ge geven kunt, om van onze beweging te maken, de beweging die ze eens worden zal.” Ook vandaag hebben wij het niet gemakkelijk, maar onze strijd blijft rechtvaardig, ons ideaal verheven. Binnen honderd jaar staat hier mijn opvolger en vieren we tweehonderd jaar socialisme in de Rode Burcht. Dat weet ik zeker.