KORT

In deze blog maken we een inschatting van het impliciet belastingtarief op erfenissen en schenkingen in België. Dat doen we door de inkomsten van de erf- en schenkbelasting af te zetten tegen de overeenkomstige theoretische belastingbasis (de totale overdracht van vermogen via erfenissen en schenkingen). We stellen vast dat het impliciet belastingtarief in 2016 amper 3,67% bedraagt. Daaruit kan worden geconcludeerd dat de graad van ontwijking en ontduiking groot is.

Uit onze berekeningen blijkt dat eenzelfde opbrengst aan erf- en schenkbelastingen in ons land gerealiseerd kan worden middels een impliciet tarief van 8,6% indien de erf- en schenkbelasting beperkt wordt tot de top 10% vermogenden, of middels een impliciet tarief van 18% à 20% indien de belasting beperkt zou worden tot de top 1% vermogenden.

Een verbreding van de belastbare basis door het sluiten van ontwijkingspistes biedt dus de mogelijkheid om de erf- en schenkbelasting fundamenteel te hervormen en te beperken tot de grootste vermogens tegen aanvaardbare impliciete tarieven.   


Inleiding

De tarieven van de erfbelasting zijn erg hoog, ook na de aangekondigde hervorming door de Vlaamse regering. Tot 55% voor erfenissen die niet in rechte lijn zijn. En dat al vanaf 75.000 euro. En wie een onroerend goed schenkt wordt met tarieven tot 40% geconfronteerd. Daardoor bestaat minstens de perceptie dat de belasting op de overdracht van vermogen onaanvaardbaar hoog zijn. 

Het impliciet belastingtarief op erfenissen 

Een impliciet belastingtarief geeft weer wat de gemiddelde werkelijke belastingdruk is die gepaard gaat met een bepaalde belasting. Om het impliciet tarief te berekenen worden de gerealiseerde belastinginkomsten afgezet tegen een macro-economische parameter die overeenstemt met de belastbare basis. De impliciete belastingdruk op arbeid, bijvoorbeeld, wordt door de Europese Commissie gedefinieerd als de som van alle belastingen en sociale bijdragen die geheven worden op het inkomen uit arbeid, gedeeld door de totale verloning van werknemers in de economie. Op dezelfde manier definiëren we het impliciet belastingtarief (ITR) op erfenissen als de gerealiseerde belastinginkomsten van de successierechten (τ) gedeeld door het totaal bedrag aan nalatenschappen (B)  in hetzelfde jaar. 

ITR = τ x B

Om de belastingbasis – het totaal bedrag aan nalatenschappen in een jaar - te bepalen berekenen we de zogenaamde ‘economische flux van erfenissen’ voor een bepaald jaar (B). Dat doen we op basis van het totale netto gezinsvermogen van alle Belgen (W), de sterftecoëfficiënt (m), en de verhouding tussen gemiddeld vermogen bij overlijden en het gemiddeld vermogen van de levenden (μ)[1]. Onderstaande boekhoudkundige identiteit van de ‘economische flux’ lenen we van Piketty en Zucman[2]: 

B = m × μ ×W

waarbij voor 2016 en voor België geldt dat:

τ = 2.412 miljoen euro [3]

W = 2.478 miljard euro [4]  

m = 1,23% [5]

μ = 1,277 [6]

Daaruit volgt voor 2016 een theoretisch belastingbasis B van 38,9 miljard euro en dus een impliciet belastingtarief van 6,2%. Dat is een pak lager dan de hoge nominale tarieven van de erfbelasting. 

Het impliciet tarief op erfenissen en schenkingen

Erfenissen en schenkingen zijn beide intergenerationele transferts van vermogen. Toch worden ze fiscaal erg verschillend behandeld. Wie een erfenis krijgt, draagt (veel) meer belasting af dan wie een schenking krijgt. Hand- en bankgiften zijn zelfs helemaal belastingvrij. Schenkingen en giften bij leven spelen dan ook een belangrijke rol in successieplanning. Volgens Piketty moet voor een analyse van de vermogensoverdracht door erfenissen dan ook absoluut rekening gehouden worden met schenkingen. De berekening van de ‘economische flux’ wordt dan gecorrigeerd als volgt:

B*=(1+ v)× m × μ ×W

waarbij  v de verhouding is tussen het totaal bedrag aan schenkingen en het totaal bedrag aan erfenissen in een bepaald jaar. 

Voor Vlaanderen bedraagt de waarde van v =1,08. Dit is de verhouding van de bedrag aan geregistreerde schenkingen ten aanzien van het bedrag aangegeven in de erfbelasting in 2016 [7]. We veronderstellen dezelfde verhouding voor België. Meer dan waarschijnlijk is dit een onderschatting omdat hand- en bankgiften niet worden geregistreerd evenmin als de schenkingen die voor een buitenlandse notaris worden geregeld. 

Rekening houdend met de (geregistreerde) schenkingen is de theoretische belastingbasis B* = 80,9 miljard euro. Om het impliciet tarief te bepalen moeten we in de teller naast de inkomsten uit de erfbelasting, ook de inkomsten uit de schenkbelasting tellen. Die laatste bedroegen 567 miljoen euro in 2016 [8]. Het impliciet belastingtarief is dan ITR* = 3,67%. 

Erf- en schenkbelasting beperken tot de top van de vermogensverdeling

Het totale netto-gezinsvermogen van de Belgen bedraagt volgens de NBB 2.478 miljard euro in 2016. De rijkste 10% is goed voor 42,6% van dat totale vermogen volgens de cijfers van de ECB, de top 1% is goed voor 12,1% [9]. Die verdeling werd berekend op basis van enquêtegegevens. Daarvan is algemeen geweten dat deze een onderschatting geven van de hoogste vermogens. In een aanvullende studie van de ECB wordt hiervoor gecorrigeerd. Volgens die bijkomende studie zou de top 1% goed zijn voor 18% à 20% van het vermogen [10]. 

We veronderstellen dat de theoretische belastingbasis B* = 80,9 miljard euro dezelfde verdeling volgt als het totale netto-vermogen van de gezinnen. Om eenzelfde opbrengst in de erf- en schenkbelasting te realiseren als vandaag, volstaat impliciet tarief van 8,6% indien de erf- en schenkbelasting beperkt wordt tot de top 10% vermogenden, een impliciet tarief van 18% à 20% indien de belasting beperkt zou worden tot de top 1% vermogenden.

Conclusie

Een belasting die tegelijk gekenmerkt wordt door erg hoge nominale tarieven en een veel lager impliciet tarief geeft aan dat er een probleem is met ontwijking en/of ontduiking van die belasting. Tegelijk is het een opportuniteit om de belasting te hervormen via een verbreding van de belastbare basis, door het sluiten van achterpoortjes en ontwijkingspistes. Een verbreding van de belastbare basis in de erf- en schenkbelasting door het sluiten van ontwijkingspistes biedt de mogelijkheid om de erf- en schenkbelasting fundamenteel te hervormen en te beperken tot de grootste vermogens tegen aanvaardbare impliciete tarieven.  



[1]  μ = gemiddeld (netto)vermogen bij overlijden / gemiddeld (netto)vermogen van de levenden 

[2] PIKETTY T., G. ZUCMAN : « Wealth and inheritance in the long run », Handbook of Income Distribution, vol.2B, chapter 15, p.1303-1368, North-Holland, 2015

[3] Bron: SV 199 Schryvers mbt ontvangsten erfbelasting Vlaanderen, en FOD Financiën voor ontvangsten successierechten andere gewesten

[4] NBB [totaal netto financieel en onroerend gezinsvermogen]

[5] Bron: FOD Economie, [aantal sterfgevallen 20j en ouder op bevolking 20j en ouder]

[6] Bron: HFCS van de ECB. Gegevens voor 2010/2011. Met ‘gemiddeld vermogen 75+’ als benadering voor ‘gemiddeld vermogen bij overlijden’.

[7] Bron: SV 240 van Van Rompuy en SV 199 van Schryvers

[8] Bron: SV 240 van Van Rompuy mbt schenkbelasting Vlaanderen, en FOD Financiën voor schenkbelasting andere gewesten

[9] CSB (2017), ‘De verdeling van de vermogens in België: een actualisering

[10] ECB (2016), ‘Estimating the top tail of the wealth distribution’, WP 1907, mei 2016