Uitzettingen naar Soedan: geen voorbereiding, geen afspraken, geen garanties, geen opvolging

Hoe @FranckenTheo vier kansen miste om foltering te voorkomen. Hier de reconstructie @SegersBen @MonicaDeConinck

Met sp.a hebben we steeds benadrukt dat terugkeer van wie irregulier op Belgisch grondgebied verblijft noodzakelijk is. Vooral wanneer daarbij wordt samengewerkt met dubieuze regimes, moeten dergelijke terugkeeroperaties echter met de grootst mogelijke precisie worden voorbereid en met de grootst mogelijke voorzichtigheid worden uitgevoerd. Dat geldt des te meer als men ervoor kiest samen te werken met het Soedan van de genocidair Omar al-Bashir.

Maar: die precisie en voorzichtigheid werd niet aan de dag gelegd bij de Soedandeal. Uit onderstaand feitenrelaas blijkt dat er geen serieuze voorbereiding, geen duidelijke afspraken, geen sluitende garanties en geen ernstige opvolging was. Dat is in deze niet de fout van de Soedanezen, de Verenigde Naties, de Belgische migratiediensten. Op basis van deze feiten valt de persoonlijke verantwoordelijkheid van staatssecretaris Theo Francken niet te ontkennen.

De voorbereiding

Het begon al bij de voorbereiding.

Goed nieuws, de identificatiemissie gaat binnen een paar dagen van start!”, juichte Francken halverwege september.

Op radio 1 verkondigde Francken vervolgens (18-9): “Soedan heeft – denk ik – nog nooit een identificatiemissie gedaan in Europa.” Dat ontlokte vragen. Hoezo, de eerste? Want was de staatssecretaris op de hoogte van vergelijkbare afspraken tussen bvb. Italië en Soedan? Wist hij van de mogelijke wantoestanden die zich daar hadden voorgedaan? En wat verder met de uitzettingen bijvoorbeeld van Soedanezen uit Jordanië, met 12 getuigenissen van slagen en verwondingen door de veiligheidsdiensten, meteen na aankomst in Soedan? Wat ging de staatssecretaris doen om dat te voorkomen? Dat Francken enkele dagen voor het aanvatten van de uitzettingen niet eens zeker wist of Soedan al eerder identificatiemissies had uitgevoerd, beloofde in elk geval niet veel goeds over de grondigheid van de voorbereiding die daaraan vooraf ging.

Daarmee geconfronteerd veranderde de staatssecretaris het geweer van schouder. Er was plots “niets uitzonderlijks” aan de missie. Want … iedereen deed het. “Zie je wel, Italië doet het ook!”, klonk het. Terwijl dat niet de vraag was. Het verhoopte antwoord was: “OK, als er zich in bvb. Italië wantoestanden hebben voorgedaan, dan zal ik bekijken hoe die hier vermeden zal worden.” Of beter nog: “geen zorgen, dit héb ik al onderzocht, en om de volgende redenen is er geen reden voor ongerustheid, want ik heb actie ondernomen”. Maar het was aanlokkelijker een karikatuur van ons oppositiewerk te maken en verder geen aandacht te besteden aan de grond van de zaak.

Op twitter verklaarde de staatssecretaris zelfs: “Darfur ligt niet in Soedan.” Komende van een staatssecretaris die moet oordelen over terugkeer naar Soedan was dat behoorlijk verontrustend. Dat was volgens hem later een vergissing, maar hij gaf wel toe “dat hij het écht anders had begrepen” een week eerder op de VN-top. Een volle week – begin oktober dan nog, in volle opstart van de uitzettingen - had de staatssecretaris geleefd in de veronderstelling dat Darfur niet in Soedan lag. Was terugkeer naar bvb. naar Darfur dan geen onderwerp geweest tijdens die hopelijk toch vele voorbereidende vergaderingen? En belangrijker: welk terugkeerbeleid was er dan afgesproken voor de regio’s die tot de meest gevaarlijke van de wereld behoren (nl. Darfur, Blue Nile, South Kordofan)? Opnieuw deed dit ernstig vragen rijzen naar de grondigheid waarmee dit alles werd voorbereid.

Wat we dan weer wél uitvoerig te weten kwamen was dat het ‘de grootste identificatiemissie ooit’ zou zijn. Allemaal zeer interessant, maar niet de essentie natuurlijk. Want verontrustend was: Francken gaf te kennen dat hij niet zou toelaten dat die Soedanezen zijn terugkeerratio ook maar een beetje zouden verlagen. Dat deed verder vragen rijzen naar de afspraken die gemaakt werden met Soedan.

Theo Francken

De afspraken met Soedan

Die afspraken werden gemaakt met Motrif Siddiq Ali, vertrouwenspersoon van al-Bashir en de voormalige nr. 2 van de Soedanese veiligheidsdiensten. Breed lachend ging Francken met hem op de foto. Terwijl de Italiaanse afspraken nog uitmondden in een ‘memorandum’, was dat met de Belgische afspraken niet het geval. Meer nog: na aandringen van Monica De Coninck bleek dat de praktische afspraken zelfs niet op papier werden gezet. Dit vergrootte nog de vrees voor improvisatie en uitbesteding. De vragen gesteld in de Kamer naar de inhoud ervan leverden – zeker aanvankelijk - bijzonder weinig op. De meest gevoelige vragen werden simpelweg niet beantwoord.

De federale regering probeerde ons gerust te stellen door te zeggen dat de delegatie gescreend was en ‘niet gekend zou zijn door onze veiligheidsdiensten’. Maar zelfs áls het Soedanese identificatieteam bestond uit doodbrave ambtenaren, dan kon niemand met gezond verstand eraan twijfelen dat die info metéén bij de veiligheidsdiensten zou belanden. Zo belandden we in een situatie van een quasi-geheime deal gesloten met de ex-topman van de geheime diensten uit te voeren door (ambtenaren verbonden met) geheime agenten. Om de deal te ontrafelen bleven we echter aandringen, met een karrevracht aan parlementaire vragen.

Zo vroegen zowel Monica De Coninck als Dirk Van der Maelen reeds sinds september om op z’n minst een tolk te voorzien bij de ondervragingen door de Soedanese identificatiemissie. Enkel zo kon – uiteraard – info die door de missie verkregen gedubbelcheckt worden en enkel zo kon – uiteraard – verzekerd worden dat de Soedanezen niet werden afgedreigd. De vraag werd – niet toevallig – keer op keer op keer genegeerd. Het duurde tot 25 oktober vooraleer er klaarheid kwam. Néé er was geen tolk aanwezig. Francken stelde dat het ‘een interessante suggestie was voor een volgend keertje’. Terwijl de vraag uiteraard was om die tolk bij déze missie in te zetten. De staatssecretaris voegde er nog aan toe dat, “indien er door de mensen van de identificatiemissie zware verklaringen zouden gebeuren, dat dan de mensen van de Dienst Vreemdelingenzaken dat op een andere manier dan puur verbaal wel zouden begrijpen.” It’s magic.

Werd de info die de Soedanese missie verwierf dan op de één of andere manier gecheckt? Want: als DVZ door het gebrek aan tolk niet eens de ondervraging kon volgen, op welke manier werd dan verzekerd dat wat door de Soedanese missie gezegd werd ‘waar’ was? Wat wist Francken na de identificatie? Was hij bijvoorbeeld op het einde van de rit toch minstens op de hoogte van de herkomst van de Soedanezen? Monica De Coninck vroeg het hem verschillende keren. Uiteindelijk ontfrutselde ze hem op 5 december het antwoord. Hoeveel van de uitgezette Soedanezen afkomstig zijn uit de gevaarlijkste regio’s, nl. Darfur, Blue Nile en South Kordofan? “DVZ heeft daar geen gegevens over”, klonk het. Nochtans had Francken twee maanden eerder, opnieuw op vraag van Monica De Coninck, nog gezegd dat voor een art. 3 EVRM-onderzoek iemands nationaliteit én identiteit moest vaststaan. Nu bleek DVZ echter zelfs geen info te hebben over de herkomstregio. In het geval van Soedan: geen detail.

Het onderzoek naar het veiligheidsrisico in Soedan

Dat brengt ons bij het onderzoek naar art. 3 EVRM, waarbij het risico bij terugkeer – ook van niet-asielzoekers – moet onderzocht worden. Uiteraard is het wenselijk dat wie bescherming nodig heeft, daartoe ook verzoekt. Maar: niet iedereen is in alle omstandigheden geneigd z’n levensverhaal te vertellen aan een overheid waarvan de bevoegde staatssecretaris net glunderend op de foto stond met een ex-topman van de veiligheidsdiensten en daar bovendien onbekende afspraken mee maakte. De premier noemde dan ook art. 3 EVRM ‘un principe cardinal’ en nadien zelfs een ‘heilig’ principe. En ook Francken erkende – in de context van terugkeer naar Afghanistan - expliciet de noodzaak aan een dergelijk onderzoek bij ook niet-asielzoekers. En zoals hierboven gezegd: voor hem moest daarvoor – terecht - nationaliteit en identiteit vaststaan.

Vaak wordt daarbij gezegd dat een precieze identificatie niet mogelijk is wanneer iemand zich aan elke medewerking onttrekt, en dat klopt. Maar de Soedanese missie moest toch wel in staat geacht worden minstens de herkomstregio te weten te komen? Wat deed ze anders? En van Francken mochten we toch minstens verwachten dat hij die info over minstens de herkomstregio van de Soedanezen zou krijgen (en liefst van al zou verifiëren), zodat DVZ vervolgens een risico-analyse kon maken op basis van bvb. al dan niet dreigend gevaar in Darfur? Niets van dit alles. Alles samengeteld lijkt de conclusie duidelijk. Dit was een uitbesteding. Niet België, maar Soedan had al die tijd de touwtjes in handen.

Ondanks dit alles verzekerde Francken dat er wel degelijk ‘een’ onderzoek naar het risico bij uitzetting naar Soedan gebeurde. Monica De Coninck vroeg daarom verschillende malen hoeveel keer het was gebeurd dat na een ‘art. 3-EVRM’-onderzoek géén laissez-passer werd afgeleverd. Met andere woorden: hoeveel keer was het voorgevallen dat Francken besliste om een Soedanees niét uit te zetten naar Soedan na een dergelijk onderzoek? Hierop kregen we tot zover nooit een antwoord. Indien het antwoord bvb. ‘nul’ zou zijn, dan kan ten zeerste betwijfeld worden of het onderzoek wel op de juiste manier gebeurde. Dit is een vraag die dan ook op z’n mínst een antwoord verdient.

De verdere opvolging in Soedan na uitzetting

Zeker gezien al het bovenstaande mocht voor sp.a het Belgische werk er niet opzitten eens de ‘laissez-passer’ afgeleverd was en de Soedanees – al dan niet vrijwillig – uitgezet was. Al sinds september vroegen Dirk Van der Maelen en Monica De Coninck daarom aan zowel Francken, Jambon als premier Michel om opvolging van de uitgezette Soedanezen. Er volgde geen enkel antwoord. Daarom probeerden we het via een omweg, via minister van buitenlandse zaken Reynders. “Francken hoeft het maar te vragen”, zei die. Met dat antwoord gingen we weer naar Francken, die op 25 oktober – eindelijk een antwoord bezorgde. “Er was contact opgenomen met de ambassade”, zei hij, “maar er was nog niets concreets”. Op dat ogenblik waren reeds 8 Soedanezen uitgezet.

Nu klinkt het dan plots – geïmproviseerd - dat de opvolging via de Internationale Organisatie voor Migratie verzekerd werd. DVZ zou, aldus Francken, afspraken gemaakt hebben met IOM. Alleen: IOM spreekt die claims volledig tegen. Of België IOM gevraagd heeft erop toe te zien dat er niet gefolterd zou worden? “Neen.” Werden de Soedanezen op de luchthaven opgewacht? “Neen.”

Welke afspraken er gemaakt werden met IOM en wie welke fout maakte: we zouden het niet weten. Wat we wel weten is het gevolg ervan: er was géén opvolging van uitgezette Soedanezen. Een land dat er werkelijk alles aan wil doen om die opvolging te verzekeren had simpelweg opnieuw contact opgenomen en betere afspraken gemaakt.

Nu Francken en Michel over straat rollen en allebei claimen dat ze het onderzoek (dat nu naar de getuigenissen gevoerd zal worden) zélf bevolen hebben, dan willen er wel graag op wijzen dat diezelfde haast en ijver er niet was toen we – in september reeds – om onmiddellijke opvolging vroegen van de uitgezette Soedanezen.

Conclusie

Als Francken nu gaat beweren dat sp.a “structureel illegaliteit” zou willen tolereren, dan is hij mis. Meer nog: als uiteindelijk na onderzoek van de feiten zou blijken dat niet langer kan uitgezet worden naar Soedan, dan heeft hij dat vooral over zichzelf afgeroepen. Sinds september al wijzen we erop dat de manier waarop met Soedan wordt samengewerkt leidt tot een uitbesteding. Zo heeft niet België, maar wel Soedan de touwtjes in handen. Terugkeer kan alleen als de grootste mogelijke voorzichtigheid aan de dag gelegd wordt. Dat is hier duidelijk niet gebeurd.

 

 

Deze discussie werd gesloten.