Thomas Piketty analyseert de samenstelling en de evolutie van het vermogen en de implicaties voor de ongelijkheid in een aantal Westerse landen. Hij gaat uitvoerig in op Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS, omdat hij van die landen data heeft die ver terug in de tijd en volledig zijn op vlak van inkomens uit arbeid en kapitaal. België is daar niet bij, dus hebben we zelf, op basis van publieke data, een eerste analyse gemaakt.

bron: Nationale Bank / Vuchelen

Centraal in Piketty’s analyse staat de verhouding tussen vermogens en inkomens, namelijk tussen de stock van vermogen en de flow van inkomen. Deze verhouding toont het belang van vermogen in de hedendaagse economie, of anders gezegd: het belang van wat in het verleden is opgebouwd ten opzichte van wat we vandaag aan inkomen verdienen. Aangezien vermogen veel ongelijker verdeeld is dan inkomen en het rendement op vermogen de economische groei overtreft, impliceert een groeiende vermogens-inkomensratio ook een ongelijkere verdeling van de welvaart.

In dit artikel tonen we dat in België de verhouding vermogen tot inkomen in de voorbije 30 jaar meer dan verdubbeld is, tot 624%. In vergelijking met de 7 rijkste industrielanden had België in 1982 de 3de laagste vermogens-inkomensratio, voor Duitsland en Canada. In 2012 de 3de hoogste, na Japan en Italië. Bovendien versterkt die trend zich nog aangezien de verhouding tussen wat we netto sparen en de groei van ons inkomen in de voorbije tien jaar tot een nog hogere vermogens-inkomensratio leidt. Vermogen wint aan belang ten opzichte van inkomen en dus wordt de Belgische welvaart ongelijker verdeeld. 
 

bron: Nationale Bank / Vuchelen

 
 
 


De vermogens-inkomensratio

We baseren ons voor de berekening op publiek toegankelijke tijdsreeksen van het vermogen van de Belgische gezinnen en van het nationaal inkomen. Het vermogen van de gezinnen is het financieel en het onroerend vermogen min de schulden. Het inkomen is het bruto binnenlands product min de afschrijvingen en de netto transfers aan het buitenland. We analyseren de na-oorlogse periode 1952-2012.

In de eerste 30 jaar 1952-1982 was de stijging van de vermogens-inkomensratio relatief beperkt, +34%. De groei van vermogen en inkomen hielden gelijke tred, met een gemiddeld jaarlijks groeiritme van het vermogen van 8,44% tegenover een groei van het nationaal inkomen van 8,02%. In de volgende 30 jaar 1982-2012 verzwakte de groei van het inkomen meer dan dat van het vermogen en verdubbelde de vermogens-inkomensratio. Vermogen bleef jaarlijks stijgen aan 7,23% terwijl het inkomen jaarlijks met 4,7% steeg.

Als we de groei per 10 jaar bekijken, dan zien we dat in de periode 1962-1982 het nationaal inkomen sterker steeg dan het vermogen, mede door de hoge inflatie. In de 10 jaar tussen 2002 en 2012, steeg het vermogen meer dan twee keer zo snel als het nationaal inkomen.

Gemiddelde jaarlijkse groei per 10 jaar (1962 - 2012)

 
 
 

Ook in België is de voorbije 30 jaar het vermogen telkens belangrijker geworden ten opzichte van het inkomen.

Wanneer we België nu vergelijken met de 7 grootste industrielanden voor de voorbije 40 jaar, dan zien we dat België min of meer dezelfde trend volgt, maar sterker.  In 2010 zijn er twee groepen van landen: Duitsland, Canada en de VS met een vermogens-inkomensratio van rond de 400% en België, Frankrijk en Japan met een ratio van rond de 600%. Italië schiet er boven uit met bijna 700% en het VK neemt een middenpositie in.

 
 

De internationale vergelijking leert ons iets over een tweede belangrijke factor in de ontwikkeling van de kapitaal-inkomensratio naast groei: staatsschuld. Landen met een hoge staatsschuld hebben een vermogende bevolking wanneer de bevolking de schuldtitels bezitten. De VS heeft bvb ook een hoge staatsschuld maar die is meer dan hier in buitenlandse handen.
 

De lange termijn kapitaal-inkomensratio

We onderzochten ook Piketty’s tweede wet die stelt dat op lange termijn vermogen zich tot inkomen verhoudt zoals netto sparen tot de groei van het inkomen. 

K/I = s/g

Met s = de netto spaarquote, dus de gespaarde bedragen verminderd met de waarde van de afschrijvingen en g = de reële groei van het netto-inkomen (zonder inflatie, in tegenstelling tot de groeicijfers van het nationaal inkomen hierboven).

Deze wet geeft de lange termijn toestand weer, mochten de verhoudingen die op en bepaald moment worden vastgesteld voor decennia worden aangehouden. Het is dus geen voorspelling maar eerder een aanduiding van de tendens binnen een bepaalde periode.

We analyseren s/g voor de voorbije tien jaar, met daarin de financieel-economische crisis sinds eind 2008. We zien dat de netto spaarquote bijna 16 keer zo groot is als de groei van het nationaal inkomen. Dat betekent dat als we blijven sparen zoals de voorbije jaren en het inkomen niet meer groeit, de huidige vermogens-inkomensratio van 624% nog zou kunnen verdubbelen op lange termijn. Daarmee zouden we ver voorbij de vermogens-inkomensratio van voor wereldoorlog I gaan.

De conclusies is dat onze vermogens-inkomensratio niet alleen hoog is vanuit historisch en internationaal perspectief maar dat de cijfers van de laatste tien jaar bovendien duiden op een versterking van de tendens. Dit kan niet blijven duren. We hebben nood aan een nieuw evenwicht dat inkomen en groei bevoordeelt over vermogen en sparen.

In volgende blogs analyseren we mogelijke recepten om daar toe bij te dragen. We zullen ook een analyse maken van de verdeling van de inkomens in België en de implicaties van bovenvermelde conclusies.

 

Download hier ook de presentatie over Piketty van Jan Cornillie