Europees links pleit al ruim twee decennia voor een sociaal Europa. De analyse die daarbij gemaakt wordt is kristalhelder: Europese regelgeving bouwt grenzen en barrières af voor het vrij verkeer van kapitaal, goederen en personen, want een vervolmaakte interne markt is Europa’s doel dat alle middelen heiligt. Het afbouwen van grenzen in combinatie met het gegeven van sociale ongelijkheid tussen de lidstaten creëert echter een ‘race to the bottom’ inzake sociale bescherming waarvan de bevolking het slachtoffer is. Delokalisaties van bedrijven binnen Europa omwille van lagere sociale lasten en lonen, en praktijken van sociale dumping in eigen land in onder andere de transport-, bouw- en poetssector. De voorbeelden ervan zijn talrijk.

"Microjobs aan microlonen zijn geen baiss voor gezond economisch bestuur, maar de weg naar de sociale hel"

De sociale welvaartsstaat staat vandaag echter nog meer onder druk door het economisch bestuur van de Eurozone dat geïnspireerd is door een rechtse eenzijdige besparingsagenda die de crisis verder uitdiept. Getuige daarvan zijn de vele persoonlijke drama’s in Griekenland, Spanje en Portugal. In eigen land wordt niet enkel de begroting met Europese argusogen gevolgd, ook het binnenlands beleid wordt met regelmaat van de klok op de korrel genomen: de pensioenleeftijd, de loonkosten, de index, werkloosheidsuitkeringen, de financiering van onze gezondheidszorg,… het zijn stuk voor stuk zaken waar Europa haar zeg over doet en politieke aanbevelingen over maakt.

Hoe kunnen we die fundamentele scheeftrekking in het Europese project rechttrekken? Het standaardantwoord van links is een pleidooi voor fiscale en sociale harmonisatie. Als we de belastingswetgevingen en de sociale bescherming van de lidstaten zoveel mogelijk gelijkschakelen kan de ‘race to the bottom’ gestopt worden. Met minimumnormen inzake uitkeringen, bijstand en loon is er opnieuw eerlijke concurrentie mogelijk. Maar zoals Willem Elsschot schreef: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Die praktische bezwaren zijn niet de minste: lidstaten met een hoge sociale beschermingsgraad zoals België en de Scandinavische landen vrezen een nivellering naar beneden want de minimumnormen zullen sowieso lager liggen dan hun beschermingsniveau. Dat is waar, maar so what, die druk is er vandaag ook al, zonder minimumnormen.

De bezwaren die het meest hout snijden zijn de wettelijke: fiscale en sociale harmonisatie moeten grotendeels met unanimiteit beslist worden. In een Unie met binnenkort 28 lidstaten is dat onbegonnen werk. Zelfs toen we aan het begin van dit millennium nog met 15 waren en een meerderheid van de regeringen een centrum-links profiel had is men er ook niet in geslaagd dit door te drukken. Versta me niet verkeerd, sociale en fiscale harmonisatie moeten doelstellingen blijven van Europees links. We moeten blijven hameren op die nagel, maar tegelijk moeten we op korte termijn creatief zijn en binnen het bestaande kader werken aan dat sociaal Europa. En dat kan, door enkele fundamentele ingrepen in de bestaande procedures.

Elk jaar analyseert en beoordeelt de Europese Commissie niet alleen de begrotingen, maar ook de economische situatie van de lidstaten. Daarbij wordt rekening gehouden met onder meer de export, internationale investeringen, arbeidskosten en – dankzij linkse amendementen – de werkloosheid. Als er een te groot onevenwicht is in een aantal van die elementen, moeten landen hervormingen doorvoeren, of ze worden gesanctioneerd. De parameters zijn echter overwegend gebaseerd op competitiviteit en houden dus geen rekening met armoedecijfers, investeringen in onderwijs, koopkracht, productiviteit en sociale bescherming. Dit leidt tot situaties waarbij een land als Duitsland gelauwerd wordt om haar concurrentiële positie en lage werkloosheid, terwijl het land meer dan 16 procent armen telt, waarvan een deel zelfs voltijds aan de slag is in Merkels zogenaamde microjobs. De parameters van die analyse moeten dus veranderen, en dat kan binnen de bestaande wetgeving. Want laat ons wel wezen: microjobs aan microlonen zijn geen basis voor gezond economisch bestuur maar de weg naar een sociale hel.

Een tweede punt is de Europa 2020 strategie voor groei en jobs. Deze heeft nobele doelstellingen inzake tewerkstelling, armoede, onderzoek en innovatie, onderwijs en klimaat en energie. Als we willen dat deze strategie niet flopt zoals de vorige, moeten we haar doelstellingen even dwingend maken als de begrotingsdoelstellingen. Als men binnen het kader van de Europese meerjarenbegroting meer voorwaarden wil verbinden aan het innen van Europese fondsen, waarom die voorwaarden dan niet koppelen aan die maatregelen die erop gericht zijn die doelstellingen te halen?

Tot slot moeten we ook iets doen aan de rol van de Europese Commissie. Die is officieel onafhankelijk en neutraal, maar we weten allemaal sinds Olli Rehn hoe het echt zit. Als de Europese Commissie een politiek orgaan is dat invloed uitoefent op het nationaal beleid van de lidstaten, moet ze ook aan de nationale parlementen verantwoording afleggen. Verantwoording afleggen is echter niet voldoende, ook haar benoeming moet democratischer zijn. De plannen waarbij elke Europese partij een kandidaat-Commissievoorzitter naar voren schuift voor de volgende Europese verkiezingen zijn er al. Maar waarom trekken we de logica niet door naar kandidaat-Commissarissen? Waarom koppelen we de Europese verkiezingen niet aan Europese politieke programma’s waar de voorgedragen Commissarissen rekening mee moeten houden? Waarom vragen we tijdens de hoorzittingen van kandidaat-Commissarissen niet meer naar hun politieke agenda? Het kan allemaal, binnen de bestaande kaders.

Laat ons dus niet bij de pakken blijven zitten. Dromen van een eengemaakt, geharmoniseerd sociaal Europa mag, moet en is een ‘moral duty’. Maar laat ons vandaag vooral creatief nadenken, hoe we binnen de bestaande structuren Europa socialer en meer legitiem kunnen maken. Het panel over Europa tijdens het sp.a Visiecongres van 1 december wil daar alvast de eerste aanzet toe geven.