Hoe zullen we in 2050 wonen in Vlaanderen? Zelfs zonder glazen bol of teletijdmachine weten we nu al dat het anders zal zijn. Tegen 2050 zullen we immers met minstens 7 miljoen mensen zijn, terwijl Vlaanderen er qua oppervlakte niet groter op wordt. Dat zijn één miljoen mensen meer dan vandaag, die allemaal goed en aangenaam willen wonen zonder zich grote zorgen te moeten maken over de lening, de huur of de energiefactuur die aan het eind van de maand moet betaald worden. De bevolking zal er ook anders uitzien. De mensen van 2050 zullen gemiddeld een stuk ouder zijn, wat op zijn beurt specifieke behoeften meebrengt. Er zullen meer kleine gezinnen en alleenstaanden zijn, maar anderzijds ook meer nieuw samengestelde gezinnen. Bovendien zijn er de economische en maatschappelijke uitdagingen die een steeds grotere impact hebben op hoe we willen en kunnen wonen. De noodzaak om zuiniger om te springen met energie vraagt ons om veel beter geïsoleerde woningen te bouwen die ook zelf energie produceren, terwijl de mobiliteitsvraagstukken ons uitdagen om na te denken over de inplanting van onze woningen.

"Eén ding staat vast: er zijn aanpassingen nodig in hoe we wonen, waar we wonen en hoe we denken over wonen."

Met zoveel uitdagingen die op ons afkomen, heb je de keuze tussen doemdenken of creatief uit de pijp komen. En dan kies ik voluit voor de tweede piste. Dat is de weg om ervoor te zorgen dat Vlaanderen in 2050 een goede en zelfs betere plek kan zijn om te wonen. Om dat waar te maken, moet je het debat nu al op gang brengen. En dat doe ik het liefst met zoveel mogelijk mensen, zodat de beslissingen breed gedragen zijn. Sowieso zullen we het woonbeleid anders moeten bekijken, minder in enge zin maar in relatie met alle domeinen die een invloed hebben op wonen zoals ruimtelijke ordening, energie, fiscaliteit, inkomensbeleid, zorg, kinderopvang en onderwijs. Bovendien zullen we ook de nodige durf aan de dag moeten leggen en bepaalde evidenties en vertrouwde recepten in vraag stellen. Waar we zullen wonen in 2050 bijvoorbeeld? Snijden we de resterende open ruimte in Vlaanderen aan om woningen te bouwen, of trekken we maximaal de kaart van slim ruimtegebruik met inbreiding, stadsvernieuwingsprojecten, kernversterking, renovatie en vernieuwbouw (afbraak en heropbouw).

De tweede piste biedt het meest toekomst. Elke stad heeft braakliggende terreinen, die perfect gebruikt kunnen worden om nieuwe woningen op te bouwen of zelfs een nieuwe wijk in te planten. Hierbij zal het erop aan komen om een geslaagde combinatie te vinden van goed, kwaliteitsvol en betaalbaar wonen in een aangename omgeving. Met gedeeld groen, speel- en fietsvriendelijke straten, winkels en diensten, bus- of tramhaltes op wandelafstand. Dat is niet enkel een stedelijk verhaal, ook in kleinere gemeenten zijn zulke wijken mogelijk. Kwalitatieve verdichting is immers een opdracht voor heel Vlaanderen.

Dat leidt onvermijdelijk tot een tweede vraag: hoe ziet de woning van 2050 eruit? Wonen zal compacter of niet zijn, hoor ik wel eens waaien. Dat klinkt alsof we meteen ook heel wat zullen verliezen. De uitdaging zal zijn om compacter te wonen en ruimtes te delen, zonder in te boeten aan persoonlijk ruimtegevoel of comfort. Dat kan ook, zo blijkt uit de vele goede voorbeelden in binnen- en buitenland, die architecturale topkwaliteit, licht, lucht en een weldoordachte inplanting combineren.

Waar we wonen, heeft ook een enorme impact op onze mobiliteit. Als we her en der woningen bijbouwen, zal Vlaanderen binnenkort stilstaan. Zolang mensen genoodzaakt zijn om de auto te nemen om hun kinderen naar school te brengen of naar het werk te gaan wegens te moeilijke verbindingen, dan zullen ze dat doen. Eens de noodzaak wegvalt, wordt de keuze voor een ander vervoersmiddel een pak evidenter. En hoewel vaak gedacht wordt dat de auto weren tot stilstand leidt, bewijzen buitenlandse steden zoals Kopenhagen en Zürich het tegendeel. Daar waar de auto wegblijft, wordt de mobiliteit vlotter. En daar kunnen we toe bijdragen door onze woningen beter in te planten.

Eén ding staat vast, er zijn aanpassingen nodig in hoe en waar we wonen en ook hoe we denken over wonen. Zo’n veranderingen vragen een mentaliteitswijziging en daarvoor kan het debat niet vroeg genoeg op gang worden gebracht. Om die reden werk ik al een jaar lang aan een Woonbeleidsplan 2050. Samen met vele anderen, want als je beslissingen wil voorbereiden die de toekomst vorm geven, is het cruciaal dat iedereen mee is. De minister na mij moet het immers ook nog willen uitvoeren, en dat is misschien wel de grootste uitdaging: een plan op tafel leggen dat politici-proof is.