Met zijn “Gratis geld voor iedereen” gooide Rutger Bregman twee jaar geleden de discussie over het basisinkomen weer open. Het is een idee waar deze tijd rijp voor is, zegt de Nederlander. In deze blog ga ik in op een aantal van zijn argumenten. Het besluit? Wat het basisinkomen zo aantrekkelijk maakt, de garantie tegen armoede en de ontspannen loopbaan, kunnen we op een andere, effectievere manier bereiken. Wat het basisinkomen zo uniek maakt, het onvoorwaardelijk en egalitair karakter, is een dwaalspoor. Het laten vallen van de voorwaarde van bereidheid tot werk (in de brede zin van maatschappelijke inzet) en het doorknippen van de band tussen inkomen en prestatie tast de fundering van de welvaarstaat aan. Dat is niet alleen een kwestie van draagvlak. Het is in zijn absolute vorm ook fout.

1. Een universeel, individueel, onvoorwaardelijk basisinkomen boven de armoedegrens

Bregman stelt dat we voor het eerst in de geschiedenis rijk genoeg zijn om ons een basisinkomen te veroorloven. Hij spreekt over 30% BBP. Dat zou haalbaar zijn, want we betalen nu ook al enorme bedragen aan uitkeringen, bureaucratie en allerhande fiscale gunstmaatregelen. Extra financiering zou kunnen komen van ‘extra belasting op vermogen, vervuiling, kapitaalstromen en consumptie’.

We deden de Belgische test voor een universeel, individueel, onvoorwaardelijk basisinkomen dat voor elke volwassene een inkomen boven de armoedegrens garandeert. Zo’n basisinkomen van 1.080 euro netto per maand voor alle Belgen ouder dan 18 jaar zou iets meer dan 115 miljard euro kosten, of 29% BBP. Bijna het bedrag dat Bregman noemde dus.

Met zo’n basisinkomen is het evenwel niet dat voor de rest alles gelijk blijft. Uitkeringen, lonen en subsidies worden immers aangepast aan dat basisinkomen, sommige administraties worden dan weer overbodig. Tegenover 115 miljard kost van het basisinkomen staan 102 miljard minderuitgaven en 7 miljard minderontvangsten. Er is dus minstens 20 miljard extra nodig om een basisinkomen te financieren. Minstens want de voorwaarden zijn zeer restrictief: de lonen worden aangepast aan het basisinkomen om netto gelijk te blijven en alle uitkeringen worden genivelleerd op 1.080 euro. Bovendien houdt deze oefening geen rekening met mogelijke gedrags- en consumptie-effecten van herverdeling. Het alternatief zou een budgetneutraal basisinkomen kunnen zijn, maar dat zou een kleine 20% lager liggen, in de buurt van de 800 euro van het Finse basisinkomen-experiment. Met als gevolg dat alle uitkeringen en pensioenen onder de armoedegrens zouden liggen.

De vraag wordt dan eigenlijk: als je 20 miljard euro extra kunt besteden als overheid, waarom zou je het dan aan een basisinkomen geven? Dat hangt van de argumenten af.

2. Arme mensen zijn niet lui

Het belangrijkste argument voor een basisinkomen is armoede tegengaan. Een basisinkomen op de armoedegrens schaft de armoede van volwassenen ook de facto af. Gebrek aan werk is dan evenmin nog een issue. Maar kinderarmoede, de sterkst stijgende vorm van armoede, blijft met een basisinkomen evenwel onopgelost. Andere instrumenten zoals de kinderbijslag zijn dan broodnodig. Maar misschien belangrijker in deze discussie: los van het feit dat armoede meer is dan gebrek aan geld maar ook te maken heeft met kansen op sociale mobiliteit, is het basisinkomen een zeer omslachtige vorm van armoedebestrijding. Met een tweetal miljard trek je immers álle uitkeringen boven de armoedegrens. Met nog eens de helft van dat bedrag zorg je voor een progressieve kinderbijslag die álle gezinnen een inkomen boven de armoedegrens geeft. Probleem dus opgelost, zonder de enorme herverdeling die met een basisinkomen gepaard gaat.

Tegenstanders vrezen ook dat arme mensen met een onvoorwaardelijk basisinkomen niet langer werk zullen zoeken. Bregman toont overtuigend aan dat arme mensen niet lui zijn, blijven zoeken naar werk ook als ze een inkomen hebben en wel kunnen omgaan met geld. Het is niet nodig om een heel systeem van controle en sanctionering uit te bouwen om mensen aan het werk te krijgen. Daar zit ook kritiek op de activering in. De sociale zekerheid is volgens Bregman verworden tot sociale controle met een gigantisch bureaucratisch apparaat, gebaseerd op schaamte en wantrouwen.

De waarheid is iets genuanceerder. Ten eerste: de besparing op administratiekosten valt in de praktijk wat tegen: met 1,5 miljard besparing heb je 1,3% van de kost van een basisinkomen gefinancierd. Zelfs met een radicalere besparing maak je de meerkost niet goed. Maar het gaat niet alleen om de kost: administraties maken fouten, geven rechten aan wie eigenlijk geen recht had en ontzeggen rechten aan wie er wel recht op had. Uit studies van non take-up van het leefloon blijkt dat mogelijk een derde van de mensen met recht op leefloon, die gewoon niet vragen of ontvangen. Net zoals er elk jaar ook een paar honderd miljoen uitkeringen onterecht uitbetaald worden, blijkt uit de sociale inspectieverslagen. Een basisinkomen schaft de kans op fouten af. Maar waarom zou dat niet even goed kunnen met een eenvoudiger en transparanter systeem van uitkeringsstelsel of automatisering van rechten?

Tot slot is er het argument dat een basisinkomen de stigmatisering van mensen die leven van een uitkering wegneemt. Dat is een boeiend argument. De vraag is ten eerste of de stigmatisering dan niet gewoon verschuift naar zij die enkel een basisinkomen en niets meer verdienen. Een behoorlijk deel van de bevolking is weinig tolerant ten opzichte van werkloosheid. Maar fundamenteler is de vraag of het klopt dat de stigmatisering geïnstitutionaliseerd is? Activering en stigmatisering worden makkelijk in één adem genoemd. Studies tonen nochtans aan dat de werkgelegenheidsagentschappen hun ‘klanten’ correct behandelen. Activering - zowel de arbeidsmarktmaatregelen, de verwittigingsbrieven als de schorsingen dus - wél degelijk de uitstroom naar werk heeft verhoogd (1) . Maar de uitstroom naar OCMW of gewoonweg uit het systeem is doorgaans minstens even groot.  Net daarom is een kritische bevraging van de efficiëntie en effectiviteit van activering nodig. De kans is dan bijzonder groot dat stigmatisering op zich inefficiënt is als activeringsaanpak. 

a. Minder ongelijkheid onder lage inkomens

Het basisinkomen zou ook de ongelijkheid verminderen. Het is niet zeker of dat zo is. Ten eerste weten we uit de analyses van Thomas Piketty dat de ongelijkheidsdynamiek in sterke mate het gevolg is van de sterke stijging van kapitaalinkomsten in het nationaal inkomen en, in Europa, minder van de evolutie van het arbeidsinkomen. Het basisinkomen is daar geen oplossing voor (maar de financiering ervan mogelijk wel).

De vraag wordt dan eerder welke vorm van ongelijkheid het basisinkomen aanpakt. Het basisinkomen neemt alvast de ongelijkheid tussen uitkeringstrekkers weg door een absolute nivellering van alle mensen zonder arbeidsinkomen op de armoedegrens. De gemiddelde uitkering, met uitzondering van de ambtenarenpensioenen, ligt nu op het niveau van het basisinkomen.

Dat betekent twee zaken: de extra kost van het basisinkomen gaat dan vooral naar mensen die nu geen uitkering krijgen, meestal samenwonenden, en naar mensen die hun loopbaan onderbreken en daar nu niet of weinig voor worden vergoed. Bovendien wordt de band tussen uitkering en het aan de uitkering voorafgaande loon volledig verbroken. Met de loopbaan wordt geen rekening meer gehouden. Dat is een enorme nivellering waarvan de vraag is of ze wenselijk is. Het verzekeren tegen verlies aan levensstandaard valt in dat geval helemaal weg. Wat overblijft, is enkel een verzekering tegen armoede.

b. Zal er nog werk zijn?

Een van de meest boeiende argumenten voor een basisinkomen is dat er gewoonweg niet genoeg werk meer zal zijn in de toekomstige economie. De verzorgingsstaat gebaseerd op een mannelijke kostwinner die een hele loopbaan in hetzelfde bedrijf werkt, is achterhaald door globalisering, flexibilisering en robotisering (2) . De herverdeling van toegevoegde waarde zal anders moeten verlopen dan via werk waar een loon tegenover staat.

Een basisinkomen die inkomen en tijd geeft om maatschappelijk nuttig te zijn, is dan een vorm van herverdeling die aangepast is aan die nieuwe digitale economie. Ook Michel Bauwens denkt in die richting vanuit het peer-to-peer concept. 

Opnieuw is de realiteit iets genuanceerder: de dynamiek van toegevoegde waarde en loonvorming is aan verandering onderhevig. Dat was destijds zo bij de evolutie van een industriële economie naar diensteneconomie en dat zal het nu ook zijn. De nieuwe digitale economie is geen grondstoffeneconomie zoals Saoedi-Arabië, wel een kenniseconomie. Maar ook kennis vraagt werk, organisatie en infrastructuur. Het is niet zo dat in een nieuwe digitale economie werk een verouderd concept wordt en loonvorming onmogelijk.

Wel is het zo dat in de fase van de digitale economie die we nu meemaken veel toegevoegde waarde blijft plakken bij de aandeelhouders, net zoals dat zo was in de vroege industriële samenleving. Toen is daar op gereageerd met industrieel, arbeidsmarkt- en sociaal beleid. Een nieuwe en andere herverdeling is dus nodig om ons sociaal stelsel financierbaar te houden. In die zin is het financieringsvraagstuk voor een basisinkomen, dan wel voor de huidige sociale zekerheid niet zo gek veel verschillend. De moeilijkheidsgraad van een voorwaardelijke uitkering, is in een digitale economie finaal ook niet erg verschillend. De controle op werkbereidheid, de definitie van een passende dienstbetrekking en de meting van de afstand tot de arbeidsmarkt zijn in beide systemen een even grote uitdaging.

Samengevat: de aard van werkt wijzigt dan wel, maar de uitdaging is en blijft herverdeling. Als we als samenleving een bredere definitie van ‘werk’ en ‘werkbereidheid’ willen, dan kunnen we dat ook binnen het huidige systeem. Het basisinkomen is dan slechts de meest extreme versie van het opentrekken van de definitie van werk als maatschappelijke inzet.

c. Ontspannen loopbaan

Een laatste argument voor het basisinkomen is dat het ons makkelijker maakt om greep te krijgen op de eigen loopbaan. Als je kan rekenen op een onvoorwaardelijk basisinkomen,  ga je immers makkelijker de beslissing nemen om tijd te nemen voor jezelf, de loopbaan even te onderbreken voor gezinsredenen of het risico nemen om iets nieuws te beginnen. Nu bestaan daar tijdskrediet en loopbaanonderbreking voor. De tendens van het huidige beleid is om die opties meer voorwaardelijk en kariger te maken. Dat het basisinkomen de omgekeerde richting uitgaat, inspireert. Maar het mag ons niet blind maken voor het feit dat zuinige, beperkte mogelijkheden voor tijdskrediet/loopbaanonderbreking een beleidskeuze zijn. Beleidskeuzes die hoogstwaarschijnlijk sneller en met meer gemak bereikt worden dan met de invoering van een basisinkomen.  

Conclusie: to work or not to work?

Het basisinkomen inspireert. Het doet ons dromen van een meer vrije en ontspannen loopbaan. Van een eenvoudiger herverdeling in een digitale economie. Van minder armoede en ongelijkheid. Dat zijn dromen en doelen die de richting voor een beleid aangeven.
Maar elk van die aspecten kan meestal evengoed, en soms beter, door een hervorming van bestaande sociale systemen gebeuren. De grotere vraag is of we een verruiming van de notie werk binnen de huidige maatschappij aankunnen. Vinden we manieren om zinvol maatschappelijk werk te vergoeden?

Dat lijkt me doenbaar en is in het verleden ook gebeurd met bijvoorbeeld het kunstenaarsstatuut, de financiering van het maatschappelijk middenveld en werkweken die maatschappelijk engagement niet in de weg staan. Dat vereist een omkering van de beleidstendens, maar het kan.

Tenslotte blijft dan de vraag: moet de samenleving verwachten dat iedereen werkt en beslissen over wat maatschappelijk zinvol werk is? Ik vind van wel. Op dat vlak ben ik een Kantiaan. Niet werken en wel verdienen is geen gedrag dat je universeel kunt maken in een samenleving. Niet alle activiteit is maatschappelijk zinvol: wat zinvol is en niet vraagt oordeelsvermogen. En de beslissing over welk maatschappelijk zinvol werk niet spontaan vergoed wordt, kan enkel democratisch worden genomen.

Maar laat ons het basisinkomen in het vizier houden met het oog op de uitdagingen die voor ons liggen: efficiëntere en transparante uitkeringen die beter en eenvoudiger beschermen tegen armoede en rekening houden met de gepresteerde loopbaan, aanpak van hoge inkomens en sociale investering om ongelijkheid te verminderen, een meer ontspannen loopbaan door beter vergoede en minder voorwaardelijke loopbaanonderbreking.