Kan je überhaupt de vennootschapsbelasting verlagen door de notionele intrestaftrek af te schaffen? En zo ja, hoeveel budgettaire ruimte levert dat op? Deze blog probeert daar een antwoord op te formuleren. Stel dat we uitgaan van een budgettair neutrale hervorming,  dan kan het algemeen tarief van de vennootschapsbelasting met zowat 2,5 %-punt dalen. Opgepast dus met  grote beloftes en drastische tariefverlagingen die, als compensatie voor de afschaffing van de notionele intrestaftrek, in het vooruitzicht  worden gesteld.
 

Peter Dedecker versus Johan Van Overtveldt

De discussie over de notionele intrestaftrek laait weer op. Deze keer binnen de schoot van de regering.  N-VA wil de notionele interestaftrek afschaffen in ruil voor een algemene tariefverlaging in de vennootschapsbelasting. Al wil de minister van financiën daar (nog) geen cijfer op plakken. Opmerkelijk is wel dat kamerlid en de financieel expert voor N-VA , Peter Dedecker, op 2 maart 2014 in De Zevende Dag liet optekenen dat het “fundamenteel fout is de notionele interestaftrek voor te stellen als een kostprijs”. Hij zat daarmee op dezelfde lijn als Geert Vancronenburg, vroeger hoofdeconoom van VBO en vandaag adjunct-kabinetschef van Alexander De Croo. Hij beweert dat de notionele intrestaftrek de schatkist zelfs geld opbrengt. Dat wordt dus een boeiende discussie in de regering en in het parlement. Als de notionele intrestaftrek niets kost, dan kan je met een afschaffing moeilijk een tariefverlaging financieren.
 

‘Brutokost’ van de notionele intrestaftrek?

In deze blog probeer ik een antwoord te geven op de vraag welke budgettaire marge er vrij komt als de notionele intrestaftrek zou worden afgeschaft.
Vertrekpunt is de brutokost (de fiscale uitgave) die voortvloeit uit de aftrek van het aanslagjaar 2012, het laatste jaar waarvan de cijfers publiek gekend zijn. Volgens de Hoge Raad van Financiën bedraagt de aftrek voor dat jaar 4.609 miljoen euro (1). Het tarief van de notionele intrestaftrek voor dat jaar is 3,425%.
De brutokost voor latere jaren bepalen we door in eerste instantie het tarief-effect in rekening te brengen. Voor 2016 (AJ 2017) bedraagt het tarief 1,13% (2). Intussen is de referte-index waarop het tarief van de notionele intrestaftrek is gebaseerd verder gezakt tot 0,82%. Voor de jaren na 2016 houden we het tarief constant op 1%.
Daarnaast moet een inschatting gemaakt worden van de evolutie van het eigen vermogen (EV). De veronderstelling is dat de jaarlijkse toename van het EV dat voor de notionele interestaftrek in rekening mag worden gebracht, gelijk is aan de gemiddelde groeivoet van het EV zoals blijkt uit de jaarrekeningen van de niet-financiële vennootschappen. Voor de periode 2008-2013 komt die groeivoet op 4,5%.  
Voor 2016 (aanslagjaar 2017) kan de brutokost van de notionele intrestaftek  geraamd worden op 1.895 miljoen euro.
 

Van brutokost naar budgettaire marge

De brutokost van de notionele intrestaftrek is niet gelijk aan de budgettaire marge die vrijkomt indien de maatregel zou worden afgeschaft. Een belangrijk deel van de aftrek wordt immers gerealiseerd door zogenaamde interne banken die ons land door de maatregel heeft aangetrokken (of behouden als het oude coördinatiecentra betreft). Zonder notionele intrestaftrek houden die vennootschappen het hoogstwaarschijnlijk voor bekeken in ons land. Dit is op zich niet problematisch aangezien de impact op jobs al bij al beperkt zal zijn. Maar de mogelijke opbrengst van de afschaffing van de maatregel zal door de impact van die interne banken alleszins lager zijn dan de  geciteerde 5 à 6 miljard euro. De Hoge Raad van Financiën schat het aandeel van de interne banken op ongeveer 1/3de.
Daarnaast moet rekening worden gehouden met de overgedragen verliezen die ervoor zorgen dat de toename van de belastbare basis door de afschaffing van de notionele interestaftrek (gedeeltelijk) teniet wordt gedaan. De studiedienst Financiën raamt die impact van de overgedragen verliezen op 40% van de brutokost van de notionele intrestaftrek.
Tenslotte  zal de afschaffing van de notionele intrestaftrek door het verdwijnen van de ‘double dips’, waarbij binnen dezelfde groep in  België een toename van het EV gefinancierd werd met een lening, ook een besparing opleveren in de gewone intrestaftrek. Voor AJ 2007 was de kost van de double dips volgens de studiedienst Financiën 15% van de brutokost van de NIA. We houden dat percentage constant aangezien geen recentere cijfers beschikbaar zijn.
Overzicht in onderstaande tabel (in miljoen euro)

De eerstkomende jaren kan van de afschaffing van de notionele intrestaftrek een budgettaire marge opleveren van ongeveer 1 miljard euro. De budgettaire kost voor het verlagen van het nominaal tarief met 1 %-punt kan geraamd worden op 432 miljoen euro (3). Dus het nominaal tarief kan dan met 2 à 2,5 %-punt dalen indien voor die piste zou worden gekozen.