In tegenstelling tot wat N-VA-voorzitter Bart De Wever beweert, staat de volgende regering bijlange niet voor de grootste budgettaire ronde sinds de oorlog. Het volstaat naar de cijfers te kijken.

De budgettaire opdracht van de volgende regering is op geen enkele manier een reden of een excuus om nu wel de koopkracht te verminderen, of de ongelijkheid en armoede te laten toenemen.

Bart De Wever heeft ons duidelijk gewaarschuwd: de budgettaire oefening die de volgende regering moet maken, is de grootste sinds de oorlog. Tussen de lijnen lezen we: het is dus logisch dat de gezinnen veel inspanningen zullen moeten leveren. Een schot voor de boeg, iedereen is gewaarschuwd voor wat gaat komen. Maar klopt dat wel? Is de komende inspanning groter dan die van de vorige regering, die de gezinnen wél zo veel mogelijk heeft ontzien? Laat ik de cijfers eens naast elkaar zetten.

Je kan de budgettaire inspanning van de federale overheid op drie manieren bekijken:

1/ Ofwel op basis van het structureel begrotingssaldo (het saldo gezuiverd voor eenmalige maatregelen en de impact van de conjunctuur): we berekenen wat het verschil is in structureel saldo in het begin of aan het einde van een bepaalde periode, en we rekenen uit wat dat gemiddeld per jaar aan extra inspanning betekent. 2/ Ofwel door de te leveren inspanning te berekenen in euro's. 3/ Ofwel door de evolutie van het financieel saldo weer te geven. Om te vergelijken nemen we de periode 2011-13 voor de regering-Di Rupo en de periode 2014-19 voor de nieuwe regering. Daardoor wordt het verkiezingsjaar 2014, met de wissel van de wacht, voor geen van beide regeringen meegerekend. De aftredende regering kan die begroting immers niet afwerken, de nieuwe regering kan er niet echt voor verantwoordelijk zijn en bovendien is het (structureel) resultaat nog niet duidelijk.

1/ Welnu, van 2011 naar 2013 evolueerde het structureel saldo van de federale overheid van -3 procent naar -1,9 procent van het bruto binnenlands product (bbp). In twee jaar tijd dus een verschil van 1,1 procentpunt of gemiddeld 0,55 procentpunt verbetering per jaar. Van 2014 naar 2019 moet het structureel saldo evolueren van tussen -1,8 en -2,2 procent in 2014 - het resultaat staat nog niet vast aangezien 2014 nog bezig is - naar +0,8 procent in 2019. In het slechtste geval dus 3 procentpunt in vijf jaar tijd of 0,6 procentpunt per jaar. Vermoedelijk zal het iets minder zijn. Conclusie: de jaarlijkse structurele inspanning is vrijwel dezelfde als de inspanning die de vorige regering tussen 2011 en 2013 realiseerde. 2/ Als we de tweede methodiek nemen - de te leveren inspanning in euro's - dan krijgen we het volgende plaatje: tussen 2011 en 2013 was de te leveren inspanning 18 miljard euro, het gecombineerde effect van de vermindering van het tekort en het opvangen van de groeivertraging in 2012 en 2013. Tussen 2014 en 2019 is de te leveren inspanning volgens het monitoringcomité van Financiën 17,2 miljard euro. Conclusie: de te leveren inspanning over de volgende legislatuur van vijf jaar is bijna even groot als de inspanning in de twee eerste jaren van de voorbije regering. Per jaar is dat dus nog niet eens de helft. 3/ Als we ten slotte de derde methodiek hanteren, namelijk het financieel saldo, dus met eenmalige maatregelen, kapitaaloperaties zoals Dexia en de impact van de conjunctuur inbegrepen, zien we het volgende: het financieel saldo is van -3,8 procent in 2011 geëvolueerd naar -2,6 procent in 2013. Dat is een daling van 1,2 procentpunt of 0,6 procentpunt per jaar. De nieuwe regering moet van -2,7 procent in 2014 (voorlopig cijfer) naar +0,7 procent in 2019 gaan. In vijf jaar dus zo'n 3,4 procentpunt, of een inspanning van 0,68 procentpunt per jaar. Conclusie: qua evolutie van het financieel saldo is de inspanning iets groter, als het saldo van 2014 zich bevestigt en op voorwaarde dat er in 2019 een overschot van 0,7 procent wordt geboekt.

Tegen de trend in staat de volgende regering dus voor de grootste budgettaire ronde sinds de oorlog? Zeker niet. De voorbije regering heeft per jaar structureel een gelijke inspanning gedaan. In euro's, gezien de groeivertraging van de economie, zelfs beduidend meer. En ook in de jaren 90 hebben we een even grote sanering moeten doorvoeren.

De aftredende regering heeft de koopkracht van de gezinnen de voorbije jaren ongeveer op peil gehouden, vermeden dat de economische groei verder werd afgeremd en er ook voor gezorgd dat armoede en ongelijkheid niet toenamen. Dwars tegen de trend in het gros van de Europese landen in. De budgettaire opdracht van de volgende regering is op geen enkele manier een reden of een excuus om nu wel de koopkracht te verminderen, of de ongelijkheid en armoede te laten toenemen.