De rente is historisch laag en dat zorgt voor een meevaller voor de begroting. Het huidige dieptepunt is de laatste aflevering van een dalende trend sinds de jaren 90.  Enkel de eurocrisis eind 2011 doorbrak die trend.
In onze vorige blog maakten we een gedetailleerde analyse van de overheidsinkomsten (link) van de laatste jaren. In deze blog analyseren we wie de rentebonus heeft opgegeten? Met andere woorden, waar werd de vrijgekomen budgettaire ruimte voor gebruikt. Voor extra uitgaven? Voor een lastenverlaging? Voor het wegwerken van het overheidstekort?  We kijken naar drie periodes: Dehaene (1995-1999), paars (1999-2007) en wat we zullen noemen de ‘post-crisis-periode’ (2007-2014).
Een Belgische overheidsobligatie heeft nu een rente van 0.67%. Een jaar geleden was dat nog 2.4%,  10 jaar geleden 4%. De beslissing van de ECB (Europese Centrale Bank) om massaal obligaties op te kopen, betekent bovendien dat de rente nog een hele tijd laag zal blijven.
In 1995 gaf België 8.7% van zijn BBP uit aan rentelasten, in 2014 was dat nog 3.2%. Dat blijft veel in vergelijking met andere Europese landen. Ter vergelijking: volgens de Europese denktank Bruegel geeft Griekenland netto 2.6% van zijn BBP uit aan rentelasten.

 

1. Periode Dehaene (1995-1999)
In de periode-Dehaene ging alles naar sanering. Niet alleen de rentebonus, maar ook extra inkomsten  - net zoals vrijgekomen middelen door minder uit te geven – gingen integraal naar de afbouw van de overheidsschuld.  Zo daalde het tekort van Belgische overheden in vier jaar met 3.5%. België maakte zich in die tijd immers klaar voor de euro en moest een inspanning leveren om de Maastricht-criteria te halen.
2. Paars (1999-2007)
Onder paars werd de rentebonus voor 2/3de gebruikt om lasten te verlagen en 1/3de voor sanering. De uitgaven stegen nauwelijks. De saneringsinspanning werd beperkt tot het houden van een begroting in evenwicht. Dit biedt een nieuwe invalshoek om de zogenoemde ‘putten van paars’ te verklaren: niet door een stijging van de uitgaven, maar wel door de lasten te verlagen, daalde het overheidsbeslag met 2%.
3. Post-crisis-periode (2007-2014)
In de ‘post-crisis-periode’ – de regeringen-Leterme, -Van Rompuy en -Di Rupo - was de rentebonus beperkt en werd die bovendien helemaal opgegeten om extra uitgaven te financieren. Om de banken te redden moest de overheid immers meer geld lenen (via overheidsobligaties) en in the end uiteraard meer rente uitkeren. Samen met de economische inzinking, het anticyclisch beleid en de beginnende vergrijzingskost stegen de overheidsuitgaven zo met 5,5% BBP in twee jaar tijd.
Om de sanering verder mogelijk te maken, werd na 2009 het geweer van schouder veranderd. De uitgaven stegen nog nauwelijks, maar dat deden de overheidsinkomsten wel. Daarmee werd een saneringsinspanning geleverd van 2,6%, waarvan 1,5% in 2010 (met economische groei) en 1,1% in 2013 (zonder economische groei).

Uitgaven in post-crisisjaren

 

Als we in detail naar de uitgaven in de post-crisisjaren kijken, zien we dat de uitgaven al in 2008  - voor de bankencrisis dus - opliepen met 1.7%. Dat duidt op een gebrek aan begrotingsdiscipline na paars. Door de krimpende economie, de bankenrcrisis en de zogenoemde automatische stabilisatoren kwam er in 2009 kwam nog 3.8% uitgaven bij. Samen goed dus voor die 5,5% BBP waarvan eerder sprake. Door de oplopende pensioenkosten en het gebrek aan economische groei in 2012-2013 werd de stijging van de uitgaven na 2009 noodgedwongen verder beperkt tot 1,2%, waarvan 0,8% voor sociale doeleinden.

TWEET DIT
“Dehaene gebruikte de rentebonus voor sanering en Paars om lasten te verlagen.”

 
Conclusie: Dehaene gebruikte de rentebonus voor de sanering en paars om lasten te verlagen. Wat overbleef van de rentebonus werd sinds de crisis gebruikt om uitgaven te financieren.