In 2010 reisde Geert Mak het traject achterna dat John Steinbeck hem had voorgedaan in 1960. Al reizend stelde hij zich de vraag “Waar zijn de gezellige en levendige ‘Main Streets’ in die typische Amerikaanse dorpen gebleven? Waar is het beloofde land, de American Dream, dat Steinbeck overal meemaakte naartoe? Hoe is het zo ver kunnen komen?”

- door Frank Van Dessel

Waar zijn de gezellige en levendige‘Main Streets’ gebleven?

Net zoals John Steinbeck die over zijn reis rapporteerde in zijn boek Reizen met Charley schreef Geert Mak zijn bevindingen neer in zijn boek Reizen zonder John. Op zoek naar Amerika: “Overal waar je rijdt zie je dichtgetimmerde stadscentra. De hoofdstraat is vervallen, stadje na stadje. Iedereen doet zijn inkopen in het winkelcentrum aan de rand van de voorstad”. 

Steinbeck reed nog door levende stadscentra. Op Main Street kwam iedereen iedereen tegen en in de diner of de saloon werd er lustig op los gediscussieerd. Mak stelt ook vast dat grote delen van Amerika echt arm zijn geworden. Maar ook de betere middenklasse kan amper de eindjes aan mekaar knopen. “Terwijl de doorsnee arbeider zich in Steinbecks tijd een aardig huis en een auto kon permitteren en zijn kinderen naar college kon sturen met één inkomen in het gezin, lukt het nu amper om rond te komen met twee. Mensen worden daar heel wanhopig van.”

Waar is de American Dream?

Mak citeert een commentator die zei dat het sinds Reagan is alsof een grote stofzuiger de dollars van de armen en de middenklasse opzuigt ten voordele van de rijken.Inderdaad, de statistieken bewijzen het: tussen 1979 en 2006 steeg het inkomen van de armen met één procent, dat van de midden klasse met 21 procent en dat van de rijkste tien procent met 256 procent. 

De ‘American Dream’ klopt niet meer. Voor het eerst zullen de kinderen het minder goed hebben dan hun ouders. Hard werken biedt geen garanties meer. De snelwegen zijn versleten, de openbare nutsvoorzieningen verkeren in ellendige toestand, de elektriciteitslevering en de telefoonverbindingen zijn onbetrouwbaar, de gezondheidszorg voor velen onbetaalbaar. Een degelijk sociaal vangnet is onbestaande.

Hoe is het zo ver kunnen komen? 

Het geloof in het grote verhaal van ‘the American Dream’ is altijd waar gebleken. Wanneer het eens wat minder ging stond de overheid klaar om bij te sturen. Roosevelt met zijn ‘New Deal’ dat de aanzet gaf voor een verzorgingsstaat. Landbouwprogramma’s en publieke investeringen werden uitgewerkt.Later, na de Tweede Wereldoorlog, kwam Lindon Johnson met zijn ‘War on Poverty’ dat hij ‘The Great Society’ noemde. Onder meer in  onderwijs en infrastructuur werd aanzienlijk geïnvesteerd. Vanaf de jaren 1970 werd het bestaande progressief belastingstelsel geleidelijk omlaag gebracht. 

In 1981 verlaagde de hoogste aanslagvoet van 48 procent naar 28 procent. In 1981, onder Ronald Reagan, kwamen er nieuwe bonussen en verlagingen. Ten slotte werd onder George Bush en Bill Clinton de belastingdruk in het voordeel van de grootste inkomens herschreven. De belasting werd het gouden kalf waar vooral niet mocht aan worden geraakt. Met de grote beurskrach in 2007en de daaropvolgende openbarstende huizenbubbel, was door het gebrek aan financiële buffer voor de meeste Amerikanen een catastrofe onvermijdelijk.

Van Brenton Woods met Keynes naar de Golden Sixties

In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog ondertekenden44 landen, waaronder België, in Brenton Woods een akkoord met als doel het monetaire financiële systeem te stabiliseren en in het bijzonder de economie te herstellen. Eén van de voornaamste sterkhouders was John Maynard Keynes, die mee aan de wieg stond bij de oprichting van de Wereldbank en het IMF. 

Keynes was ook de inspirator die stelde dat de staat de economie moet stimuleren door banen te creëren en openbare werken te bevorderen. Het begrotingstekort mag daarbij oplopen. De ‘Golden Sixties’ werden gekenmerkt door relatief hoge progressieve belastingschijven waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten droegen.

Het tij keert in de jaren 1980

De vroege jaren 1970 van vorige eeuw werden enerzijds getekend door de Vietnamoorlog, anderzijds door het grote tekort op de Amerikaanse handelsbalans. De zenuwachtigheid van een aantal Europese landen leidde tot het einde van de vaste wisselkoersen zoals was vastgelegd in het Bretton Woods-akkoord. De uit de pan swingende olieprijzen en de variabele wisselkoersen verminderden de rentabiliteit van de investeerders. De overheidsschuld stijgt en de Keynesdoctrine staat onder druk.

Zo ook in België. In 1983 wordt de vennootschapsbelasting achtereenvolgend verlaagd van 48 procent, 45 procent, 43 procent,41 procent tot 39 procent in 1993, samen met het verhogen van het aantal aftrekposten. In 1984 werden de roerende inkomsten bevrijd (roerende inkomsten, interesten en dividenden werden tot nog toe opgeteld bij de andere inkomsten). Tussen 1988 en 2002 wordt de progressiviteit voor de hoogste inkomens herzien en zullen de heffingen van 72 procent,69 procent, 63 procent, 57,5 procent, 55 procent en 52,5 procent worden afgeschaft.

De bankencrisis van 2008

De bankencrisis kende zijn ontstaan in de VS en besmette zowat het ganse mondiale bankwezen. De modaliteiten voor het toekennen van hypotheken werden sterk versoepeld met bovenop een zeer lage instaprente, waarbij in de beginperiode slechts de rente moest worden betaald. Pas in de tweede fase werd daar de afbetaling van de hypotheeksom aan toegevoegd. Bovendien werden er een groot aantal hypotheken verstrekt door gulzige hypotheekadviseurs die graaiden naar een grote productie.

De hypothecaire leningen in de VS werden door bankinstellingen herschapen tot financiële producten die werden doorverkocht als obligaties. Vaak verpakt met andere producten, waardoor de echte waarde onmogelijk nog kon worden geschat (CDO’s - Collateralised Debs Obligations) en op de markt aangeboden met een zeer hoog rendement (de veelbesproken besmette producten).

De stagnerende economie en de oververhitte huizenhypotheekmarkt waren de druppels die de emmer deden overlopen met het gekende banken-domino-effect. Het waren de overheden die met grote financiële injecties de banken moesten redden. Vanaf eind 2008 kromp de wereldeconomie en heel wat landen kenden een recessie. Een algemene bezuiniging werd ingeleid.

En de bezuinigingen in Europa gaan verder

Vanaf 2010 ontstond er discussie tussen de beleidsmakers en economen over het nut en de verdiensten van verdere economische besparingen. Toch gaan de besparingen onverminderd verder, terwijl de supergrote vermogens rustig toenemen.

Joseph Eugene Stiglitz, Nobelprijs voor economie 2001, voormalig vicevoorzitter van de Wereldbank: “Opzettelijke onwetendheid van Europese leiders is crimineel: Er bestaat geen enkel voorbeeld van een grote economie– en Europa is de grootste economie ter wereld – die herstelde dankzij besparingen (‘After Austerity’– Project Syndicate – A World of Ideas, 7 mei 2012)”.

Paul Krugman, Nobelprijs voor economie 2008, best betaalde professor aan de Universiteit van New York, verbonden aan Princeton University en aan de London School of Economics : “Zoals elke verstandige econoom je had kunnen vertellen (en dat hebben we echt gedaan, echt) zorgden bezuinigingen voor meer problemen in de kwetsbare Europese economieën. Dat ondermijnde het vertrouwen van de financiële markten en zorgden voor politieke instabiliteit (The New York Times – 18 mei 2012)”.

Paul De Grauwe, professor aan de London School of Economics and Political Science, gewoon hoogleraar emeritus aan de KUL en voormalig Belgisch senator voor VLD: “Hoe geraken we uit deze vicieuze cirkel? Als iedereen pessimistisch gestemd is moet er iemand opstaan die het optimisme aanwakkert. Dit kan vandaag alleen gebeuren door de overheid. Die zou vandaag een signaal moeten geven aan de bedrijven door zelf meer te gaan investeren. Er zijn voldoende interessante investeringsprojecten in de groene economie, in het publiek transport, in het onderwijs, die een hoog rendement hebben. Bovendien kan de overheid in België en in heel Noord-Europa aan belachelijk lage rentevoeten ontlenen" (De Morgen – 14  januari 2013).

De mondiale inkomensongelijkheid is extreem en gevaarlijk gestegen

De rijkdom is internationaal gigantisch gegroeid bij een bijzonder kleine minderheid. In de Verenigde Staten steeg het vermogensaandeel dat 1 procent van de bevolking bezit de laatste 30 jaar van 10 naar 30 procent. Sinds 2009 ging 95 procent van de inkomensgroei naar 1 procent van de totale bevolking van de VS. In 1950 verdiende een top-directielid twintig keer zoveel als het gemiddelde loon van een werknemer, nu bedraagt dit tweehonderd keer zoveel. Sinds 2000 jaar situeert de gemiddelde jaarlijkse groei van economie zich onder de 2 procent, het gemiddelde rendement op het kapitaal tussen de 4 en 5 procent. Naarmate de economie minder groeit, zal de rendementskloof stijgen.

Inkomensongelijkheid is een internationaal fenomeen. Hoe vrijer de kapitaalmarkten, hoe gemakkelijker de kapitaalvlucht naar de belastingparadijzen. Bovendien zal extreme inkomensongelijkheid de democratie ondermijnen, een bijzonder kleine groep superrijken is instaat de geopolitiek te controleren. Om een rechtvaardige vermogensverdeling te verkrijgen is een mondiale progressieve vermogensbelasting noodzakelijk. Hogere belastingen hoeven geen economische barrière te  betekenen. (cfr. De naoorlogse periode 1945– 1980 met in België gestructureerde en geglobaliseerde belastingtarieven van 72 procent voor de hoogste inkomens).

Aan het woord is de Franse econoom Thomas Piketty die hierover een boek van 985 bladzijden schreef en dit verduidelijkt met 97 grafieken nadat hij gedurende vijftien jaar gegevens had verzameld uit 22 landen. Een werk dat bijzonder goede recensies kreeg in Washington Post en The New York Times. Zelfs de Economist  schreef lovende kritieken. Volgens Paul Krugman schreef Piketty “wellicht wel het belangrijkste economische werk van dit decennium”. Branko Milanovic, belangrijk expert van inkomensongelijkheid en voormalig hoofdonderzoeker bij de Wereldbank, beschrijft het werk als een “mijlpaal van het economisch denken”.

De inkomensongelijkheid is ook in België extreem gestegen

Ook in België werd het lijvig traktaat enthousiast onthaald. Op de eerste bladzijde van De Standaard van 5 april 2014 prijkte de foto van Piketty onder de titel “De enige redding is een wereldwijde vermogensbelasting”. Het toegevoegd DS-weekblad drukte een lijvig interview over zes bladzijden af met de titel: ‘Thomas Piketty, de schrik van one percent’. 

De zakenkrant De Tijd  (15 maart) vraagt aandacht voor Piketty onder de titel “Belastingpleidooi dat zelfs rechts verleidt” en drukt op 22 maart het verbaal duel tussen minister van economie Johan Vande Lanotte en economieprofessor (KU Leuven) Joep Konings af: “De Franse econoom Thomas Piketty heeft gelijk: de 1procent meest vermogende mensen betalen weinig belastingen, het is de middenklasse die goed betaalt. Het lijkt me logisch om het geld bij die eerste groep te halen. Maar dat is moeilijk omdat kapitaal vluchtig is.” De Morgen besteedde aandacht aan Piketty op 29 maarten op 4 april onder de titel: ‘Ook in België kun je iets doen tegen ongelijkheid’.

Er zijn in België weinig officiële studies over vermogensverdeling te vinden, vermits er in België geen vermogenkadasters bestaan. Een recente studie van de Nationale Bank geeft dat 10 procent van de rijkste Belgen 44 procent van het netto vermogen bezitten. Dit bewijst de inkomensongelijkheid, temeer omdat er een groot aantal Belgen rekeningen bezitten in belastingsparadijzen.

Piketty stelt dat kapitaal meer opbrengt dan arbeid, zeker een reden om rendabele staatsbedrijven te stimuleren waarbij de rendabiliteit ten goede komt aan de gemeenschap.

De keuze ligt bij de beleidsmakers:de rijken nog rijker maken of kiezen voor een rechtvaardig progressief belastingstelsel waarbij alle opbrengsten, inclusief opbrengsten uit vermogen, gelijkwaardig en transparant worden belast.

Frank Van Dessel schrijft over culturele activiteiten voor curieus, S-plus en ABVV

Dit artikel werd gepubliceerd op www.dewereldmorgen.be