Sinds begin dit jaar betalen verschillende ziekenfondsen het remgeld terug voor kinderen.

Bij de Socialistische Mutualiteit van Brabant is dat overigens al langer het geval. En dat is niet naar de zin van de artsensyndicaten, die vrezen voor bomvolle wachtzalen en torenhoge kosten. Want het remgeld belet volgens de artsenverenigingen dat je voor de minste prul naar de dokter rent. En alleen zo blijft onze gezondheidszorg betaalbaar.

Maar klopt dit eigenlijk wel? Wijkgezondheidscentra, die werken in een forfaitair systeem en gratis zijn voor de patiënt, kosten de ziekteverzekering niet meer dan de klassieke prestatiegeneeskunde. Door de focus op ziektepreventie en gezondheidsbevordering komen ze op lange termijn wellicht zelfs goedkoper uit. Want iedereen weet dat je – ook financieel – beter kan voorkomen dan genezen.

Terwijl de artsen telkens hameren op het gevaar van overconsumptie, verliezen ze onderconsumptie steevast uit het oog. En dat is wraakroepend. Een op 5 mensen met een laag inkomen stelt een doktersbezoek uit omwille van geldgebrek. Bij eenoudergezinnen is dat zelfs 3 op 10. De verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering biedt enigszins soelaas, maar deze maatregel is nog te weinig gekend. Ook hier speelt immers het Mattheuseffect: wie het meest nood heeft aan bepaalde voordelen maakt er vaak het minst gebruik van.

Iedereen heeft recht op een toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg. Met de terugbetaling van het remgeld voor kinderen zetten de ziekenfondsen een stap(je) in de goede richting. Laten we de artsen dan op de rem staan?