Van sociale beweging tot sp.a

Het begin (1840-1875)

De geschiedenis van sp.a is, net zoals die van vele andere sociaaldemocratische partijen, geworteld in de sociaal-economische strubbelingen van de 19de eeuw. De Industriële Revolutie had gezorgd voor een vlucht van het platteland naar de steden. Mensen waren op zoek naar werk, op zoek naar een beter leven. Werk werd wel gevonden, een beter leven niet. Zeven dagen per week in de fabriek, dertien uur per dag, soms langer. Geen vakantie. Kinderarbeid. Onzekerheid over loon. Teveel mensen in te kleine beluiken. Koude. Honger. Het ultraliberalisme vierde hoogtij.

Het duurde niet lang voor de arbeiders in opstand kwamen tegen deze wantoestanden. In België was er al in 1839 sprake van oproer: de Gentse katoenspinners lieten van zich horen. Van veel meer dan sporadisch protest was echter geen sprake.

Daar komt in 1863 verandering in. Franse en Britse werknemers zoeken naar samenwerking, het prille begin van de Eerste Internationale is een feit. Een groot succes wordt het Internationaal Werkliedenverbond niet, maar de kiem voor het opkomende socialisme is wel gelegd. Ook in België sluit een grote groep arbeiders er zich bij aan. Vooral in de regio’s met de meeste industrie, zoals Henegouwen en Luik, staat deze nieuwe groepering sterk.

Het revolutionaire vuur dooft vrij snel, maar blijft op sommige plaatsen toch smeulen. In Gent bijvoorbeeld blijft de jonge letterzetter Edward Anseele krantjes drukken die oproepen tot actie. Anseele kijkt ook naar Duitsland, waar in 1875 de Sozialistische Arbeiterpartei Deutschlands (SADP) wordt opgericht. Dat is de richting die Anseele en zijn Gentse gezellen uitwillen: geen revolutie, maar een politieke partij die in staat is om de samenleving grondig te hervormen.


Van beweging naar partij (1875-1885)

In 1877 werd de Vlaamsche Socialistische Arbeiderspartij opgericht in Mechelen. De partij bestond uit de Gentse coöperatieve Vooruit en enkele overgebleven groepen van de Eerste Internationale. Maar ook in Brussel was het socialistische vuur opnieuw opgelaaid. Daar had César De Paepe met een groep medestanders de Parti Socialiste Brabançon gesticht. Anseele en De Paepe vonden elkaar al snel, en in 1879 zag de Belgische Socialistische Arbeiderspartij in Mechelen het levenslicht.

Er was nu wel een socialistische politieke partij, maar nog geen kiezers. Enkel vermogende mannen hadden namelijk het recht om hun stem uit te brengen. De strijd om de uitbreiding van het stemrecht kon losbarsten. Bij de gemeente- en provincieraadsverkiezingen van 1884 werd een eerste succesje geboekt: ook mannen met een diploma lager secundair onderwijs mogen deelnemen aan de stemming. Dit levert de socialisten hun eerste lokale zetels op.

Opmerkelijk was dat deze eerste zetels binnengehaald werden in Wallonië, waar op dat ogenblik nog geen socialistische partij actief was. Wel waren er sterke vakbonden: zij hadden her en der een lijst ingediend. Op die manier was een vrij absurde situatie ontstaan: in Vlaanderen was er wel een partij, maar geen mandatarissen, in Wallonië geen partij maar wel mandatarissen. Uit deze vreemde spreidstand ontstond in 1885 de Belgische Werkliedenpartij (BWP). Een partij, niet enkel voor socialisten, maar voor alle werklieden, voor alle onderdrukten. De eerste échte voorloper van sp.a.


Strijd voor gelijke rechten... (1886-1894)

De BWP stelt zichzelf een aantal belangrijke politieke doelen. Een verbod op kinderarbeid, een verlaging van de arbeidsduur, verplicht lager onderwijs en misschien wel het belangrijkste: zuiver, algemeen stemrecht. Over de manier waarop deze veranderingen verwezenlijkt konden worden, liepen binnen de partij de meningen nogal uiteen. Langs Waalse zijde, waar het sterke vakbondsverleden meespeelde, was men eerder geneigd over te gaan tot staken en zelfs tot het gebruik van geweld. De meer gematigde vleugel van de partij richtte zich op politieke actie, via het parlement.

In 1892 werd een verklaring tot grondswetherziening goedgekeurd, met als doel de invoering van het algemeen stemrecht. Toen de katholieke meerderheid deze afblokte in 1893, gaf de BWP het sein voor een algemene staking. Deze was zeer succesvol, maar is toch een bijzonder donkere bladzijde uit de Belgische politieke geschiedenis. De katholieke regering zette zowel rijkswacht als gewapende burgerwacht in om de staking te breken. Op 14 april 1893 viel, in Jolimont, de eerste dode. Op 17 april vielen zeven doden in Bergen. Op 18 april werd het vuur geopend op betogers in Antwerpen. Vijf mensen laten er het leven. Dertien doden, maar de regering gaat overstag. Het cijnskiesrecht werd vervangen door het algemeen, meervoudig stemrecht.

Een eerste stap, maar lang nog niet voldoende. Want hoe rijker de man, hoe meer stemmen hij mag uitbrengen. Dit zorgt ervoor dat de politieke macht bij een (rijke) minderheid van de bevolking blijft.

Ook al was er nog geen sprake van gelijke vertegenwoordiging, iedere man had op zijn minst één stem. In 1894 kan de BWP zich opmaken voor haar eerste nationale kiescampagne. De Brusselse advocaat Emile Vandervelde neemt de taak op zich om de BWP een inhoudelijk fundament te bieden. Met het ideologisch manifest waarmee Vandervelde voor de dag komt, wil hij een alternatief bieden voor het wilde kapitalisme dat hoogtij viert in de nadagen van de Industriële Revolutie: het Charter van Quaregnon.


... en een beter leven (1895-1913)

De eerste stappen naar politieke vertegenwoordiging van arbeiders waren gezet, maar het dagelijkse leven was voor velen nog steeds niet makkelijk. De Gentse socialisten hadden met hun coöperatieve bakkerij en volkshuis Vooruit getoond hoe actie van onderuit voor arbeiders een reëel verschil kon maken. In de grote steden in Vlaanderen werd dit voorbeeld al snel gevolgd. Over het hele land richten arbeiders coöperatieve bedrijven op: bakkerijen, apotheken, kledingszaken.... Er kwamen zelfs eigen, ‘rode’ textielfabrieken. Sluitstuk was de oprichting van de Bank van de Arbeid, in 1913. Al deze handelszaken, voor en door arbeiders, zorgden ervoor dat de gewone man levensmiddelen en diensten kon kopen aan betaalbare prijzen. Bijkomend gevolg was dat de politieke vleugel van de beweging de nodige financiële slagkracht kreeg.

Met vernieuwde moed, een brede basis en de nodige middelen, plaatste de BWP in 1913 een oude kwestie opnieuw op de politieke agenda: het enkelvoudig, algemeen stemrecht. Maar dit zou nog even op zich laten wachten. Donkere wolken vormden zich aan de horizon: het was de vooravond van Wereldoorlog I.


Nieuwe mogelijkheden in een veranderde wereld (1914-1919)

De Eerste Wereldoorlog zorgde voor een nationalistische reflex in Europa. Politieke meningsverschillen werden even vergeten. In België kwam er een regering van Nationale Unie, waar ook de BWP deel van uitmaakte. Het Nationaal Hulp- en Voedingscomité, door deze regering opgericht om de noodlijdende bevolking te helpen, maakte ook gebruik van het socialistische netwerk van verenigingen, vakbonden en coöperaties om deze hulp te verstrekken. Hierdoor kreeg de socialistische beweging op veel plaatsen voet aan de grond. De bestaande organisaties werden uit hun arbeidersisolement gehaald. De chaos, het leed en vernieling van de Eerste Wereldoorlog zorgden ervoor dat de socialisten voortaan een volwaardige politieke en maatschappelijke speler werden.

Wat voor de oorlog niet was gelukt, lukte nu wel. In 1919 werd het algemeen stemrecht voor mannen ingevoerd. Hoewel een overwinning, toch een smet op het socialistische blazoen. Een grote groep onderdrukten bleven namelijk in de kou staan: vrouwen. Het zou nog twintig jaar duren voor dit onrecht wordt rechtgezet en ook de vrouwelijke helft van de bevolking politieke inspraak krijgt.  

Toch maakt de BWP bij de verkiezingen van 1919 een grote stap voorwaarts. In Wallonië de grootste partij, in Vlaanderen de tweede grootste: socialisten kunnen eindelijk wegen op het beleid. En dat doen ze ook. In de jaren na de oorlog haalt de BWP heel wat van haar oude programmapunten binnen. De achturen werkdag, een verzekering tegen werkloosheid, een wettelijk pensioen en progressieve belastingen zijn een feit.


Op zoek naar een nieuwe strategie (1920-1939)

De euforie van de jaren na de oorlog duurde echter niet lang. Door de beurscrash van 1929 en de economische crisis stortte de socialistische structuur gedeeltelijk in. De coöperatieven en rode fabrieken kregen het moeilijk. De Bank van de Arbeid moest in 1934 haar deuren sluiten. Ook op politiek vlak was de socialistische ster tanend. Er was nood aan een nieuwe strategie, een nieuw strijdplan. De socialistische oplossingen uit de 19de eeuw volstonden niet langer.

Het voorbeeld werd opnieuw gegeven in Duitsland. Daar had de vakbeweging in 1932 een gedurfd anticrisisplan naar voren geschoven. In plaats van te besparen en de lonen te verlagen, moest de overheid investeren om de crisis te bestrijden. Dit zou leiden tot nieuwe werkgelegenheid, stijgende koopkracht en een aantrekkende economie. Dit was een nieuwe vorm van socialisme: een sterke overheid die controle uitoefent over de economie en die de opbrengsten ervan rechtvaardig verdeelt.

Het was Hendrik de Man die deze nieuwe ideëen in een partijprogramma voor de BWP omzette. Het congres van de BWP keurde in 1933 het Plan van de Arbeid goed. Dit betekende ook een verbreding van het doelpubliek van de partij, omdat het Plan door alle maatschappelijke geledingen moest gedragen worden. De BWP was niet langer een partij enkel voor arbeiders, het werd een partij die streefde naar welvaart en geluk voor iedereen. Deze verbreding was niet naar de zin van de oude socialisten, die nog steeds vasthielden aan de arbeidersstrijd. Er tekende zich een breuk af en Hendrik de Man slaagde erin de macht binnen de partij naar zich toe te trekken. Hij trad in 1935 toe tot de katholieke regering Van Zeeland, tegen de zin van de oude getrouwen binnen de partij. Van het Plan van de Arbeid kwam echter niet veel in huis.


Een nieuwe wereldbrand, een nieuwe partij (1940-1945)

De crisis van de jaren ’30 vormde de ideale voedingsbodem voor de opmars van het nazisme en fascisme in Europa. Wereldoorlog II begint in 1939 met de Duitse inval in Polen, in mei 1940 werd België aangevallen. Hendrik de Man ontbindt vrijwel meteen de BWP en roept op om de Duitse overwinning te aanvaarden. De Man ziet in de Duitse overheersing een bevrijding voor het socialisme en roept op om geen verzet te bieden. Een vergissing die hem na de oorlog een veroordeling voor collaboratie zal opleveren.

De BWP houdt bij het begin van de oorlog op te bestaan, en haar leden blijven achter in opperste verwarring. Sommigen volgden de Man, anderen keerden hem de rug toe, duiken onder en worden actief in het verzet. Een deel van de socialistische leiders had bij het uitbreken van de oorlog het land verlaten. In het najaar van 1941 wordt door hen de Belgische Socialistische Partij opgericht, de opvolger van de BWP.

Figuren als Achiel Van Acker liggen aan de basis van deze nieuwe partij. Van Acker beseft dat maatschappelijke verandering er enkel kan komen via overleg, door samenwerking met gelijkgestemden en andersgezinden, zowel binnen als buiten de politiek. Al tijdens de oorlog wordt een Sociaal Pact gesloten: de basis voor een omvattend stelsel van sociale zekerheid. Dit betekende echter dat de socialisten ideologische toegevingen moesten doen. De oude strijd tegen het kapitalisme werd afgezwakt, er werd gezocht naar toenadering tussen arbeiders en werkgevers.

Het stichtingscongres van de BSP bevestigd in 1945 de ideologische beginselverklaring van Quaregnon. Daarmee zet de BSP de socialistische traditie voort, maar de doelen en middelen zijn niet meer dezelfde als bij de oprichting van de BWP in 1885. De Belgische socialisten waren niet langer een arbeiderspartij, maar een volkspartij.


Breuklijnen tekenen zich af (1946-1959)

Het einde van de oorlog plaatst België voor een aantal onopgeloste problemen. Een eerste fout uit het verleden wordt haast meteen rechtgezet. In 1949 krijgen vrouwen politieke inspraak. Ongeveer zeventig jaar na het oprichten van de eerste socialistische partij is het belangrijkste strijdpunt eindelijk verworven: algemeen, enkelvoudig stemrecht. Geen enkele burger staat nu nog langs de zijlijn van het politieke spel. Elke mens, één stem.

De BSP is nu een échte politieke partij. Voor de oorlog was de BWP een optelsom van vakbonden, coöperaties, mutualiteiten en talrijke nevenorganisaties. Na de oorlog gingen deze instellingen steeds meer zelfstandig opereren. Hierdoor komt er wat meer afstand tussen de politieke vleugel en de socialistische massabeweging.

Hoewel de verkiezingen net na de oorlog erg voordelig waren voor de linkerzijde, is er absoluut geen sprake van stabiliteit in het land. Zeven regeringen in minder dan vijf jaar tijd, de heropstart van de economie en de Koningskwestie zorgen voor de eerste breuklijnen tussen Vlamingen en Walen, tussen katholieken en vrijzinnigen, tussen stad en platteland.

Bij de verkiezigen van 1954 winnen de socialisten opnieuw overtuigend. Achiel Van Acker wordt de eerste socialistische premier van België. Opnieuw krijgt de BSP te maken met de oude vete tussen katholieken en vrijzinnigen. De schoolstrijd, waarin de socialistische minister van Onderwijs Leo Collard het opneemt tegen de katholieke gemeenschap, breekt de socialisten zuur op. In 1958 verliezen ze de verkiezingen.

Twee jaar later, in 1960, wordt de BSP geconfronteerd met een moeilijke spreidstand. De zware industrie, die vooral in Wallonië voor werk en welvaart zorgt, is op de terugweg en heeft subsidies nodig om te overleven. De katholieke regering Eyskens wil deze overheidssteun stopzetten. Dit valt bijzonder slecht bij de socialisten, vooral ten zuiden van de taalgrens. Waar Vlaanderen op dat ogenblik in sneltreinvaart industrialiseert, dreigt Wallonië opeens achterop te hinken. Dat een katholieke Vlaming deze maatregel wil doorduwen, is voor de Waalse socialisten van het goede teveel. Er barst een nieuwe algemene staking los, de staking tegen de Eenheidswet. De BSP krijgt het intern moeilijk: de Waalse zijde profileert haar regionale identiteit, de Vlaamse zijde kan zich enkel loyaal verklaren met haar Waalse kameraden.


De gouden jaren '60 (1960-1969)

Begin jaren ’60 zwelt de economie sterk aan. Het nieuwe socialistische model, waarvoor Hendrik de Man de basis had gelegd en dat de leidraad was voor het Sociaal Pact van Van Acker, draait nu op volle toeren. Welvaart en geluk zijn niet langer vage toekomstbeelden, ze zijn nu voor haast iedereen realiteit.

Hierdoor komen andere problemen in het socialistisch vizier. Vrouwenrechten, het milieu, ontwikkelingssamenwerking, ontwapening: stuk voor stuk belangrijke doelen waar nog voor moet gevochten worden. Toch duurt het bijna tien jaar tot ook de partijleiding inziet dat er een nieuw programma nodig is. De socialistische beweging, verankerd in de eigen zuil, leeft nog erg afgesloten van de buitenwereld. Leo Collard probeert in 1969 een progressief front op te richten, dat ook oog heeft voor de nieuwe maatschappelijke vraagstukken. Het blijft echter bij een symbolische oproep. De verbreding van de partij loopt stuk op oude instellingen, overtuigingen en gewoontes.

En ook het communautaire spook blijft in de partij ronddwalen. Binnen de partij worden de regionale grenzen alsmaar duidelijker. In 1967 organiseert de BSP zelfs twee congressen, één voor de Vlaamse en één voor de Waalse federatie. Wanneer bij de verkiezingen van 1968 geen Vlamingen op de socialistische lijst in Brussel-Halle-Vilvoorde staan, dienen ze onder de naam ‘Rode Leeuwen’ zelf een lijst in en halen twee kamerzetels.

Naar een Vlaamse socialistische partij (1970-1979)

In 1970 is de eerste staatshervorming een realiteit. Die vertaalt zich ook in de structuren van de BSP. Er komt een dubbel voorzitterschap, Jos Van Eynde en Edmond Leburton, dat de eenheid in de partij moet garanderen. Bovendien is het publiek dat de BSP bedient alweer grondig door elkaar geschud. Vroeger was het electoraat te vinden in de geïndustrialiseerde steden, tussen de fabrieksarbeiders. Nu zijn er minder arbeiders, meer bedienden, minder laaggeschoolen, meer vrouwen. Ook de concurrentie van de christelijke arbeiderbewegingen in Vlaanderen speelt de BSP parten.

Er was nood aan een nieuw model: de socialistische bewegingen zien midden jaren ’70 hun ledenaantal zakken en ook de BSP scoort electoraal niet bijster goed. De partij is echter intern meer en meer verdeeld tussen een Vlaams en Waals kamp.

De oliecrisis begin jaren ’70 plaatst de BSP voor een nieuwe reeks uitdagingen. Overheidssteun aan verlieslatende sectoren roept steeds meer vragen op. Ook het sociale zekerheidsstelsel, dat uitgaat van economische groei, komt onder druk. Het wordt alsmaar duidelijker dat er nood is aan een nieuwe staatsstructuur. Ook de Vlaamse socialisten zijn van deze idee doordrongen. Bij de onderhandelingen rond het Egmontpact, in 1978, scharen zij zich dan ook achter het Vlaamse politieke front. Dit is onaanvaardbaar voor de Waalse vleugel van de partij. André Cools merkt op dat Vlaamse solidariteit schijnbaar belangrijker is dan socialistische solidariteit, stapt uit de BSP en richt de Parti Socialiste op. Onder leiding van Willy Claes gaan de Vlaamse Socialisten als BSP verder.


De SP staat op (1980-1991)

De splitsing was uiteindelijk niets meer dan een bekrachtiging van de realiteit. De Vlaamse BSP kwam onder deze naam nog wel op bij de verkiezingen van 1978, maar onder het voorzitterschap van Karel Van Miert veranderde de naam in 1980 naar Socialistische Partij of SP. Deze SP moet op zoek naar een nieuwe identiteit. In navolging van de oproep van Collard tien jaar eerder, pleit Van Miert voor een ‘open’ partij. Er worden thema’s aangesneden die de BSP niet wou of kon aansnijden: een beter milieu, vrouwenemancipatie, hulp aan de derde wereld.

De generatie van de ‘Jonge Turken’, Karel Van Miert, Louis Tobback, Norbert De Batselier, Luc Van den Bossche, Marcel Colla, Freddy Willockx en Louis Vanvelthoven, zorgt voor een heropstanding van het Vlaamse socialisme. De strijd tegen de plaatsing van Amerikaanse kernwapens en tegen de besparingspolitiek van de kabinetten Martens legt de SP geen windeieren.

Er wordt nu ook verder gekeken dan de Belgische grenzen. De wens van een groot, sociaal Europa wint terrein. Toch woedt de zoektocht naar ‘wat socialisme is’ onverminderd voort. De oude socialistische zuil blijft verder afbrokkelen. De grote coöperaties van weleer zijn nog amper levensvatbaar en vervreemden steeds meer van de socialistische beweging. De socialistische dagbladen Vooruit en Volksgazet gaan over de kop, hun opvolger De Morgen slaagt er niet het ontstane gat op te vullen. Gevolg van dit alles is dat de traditionele basis van de vroegere BSP steeds meer vervreemd raakt van de partij. Nieuwe socialisten, zonder stamboom, komen wel langs de grote deur binnen, maar de oude partijrotten verdwijnen meer en meer langs de achterdeur.

Bij die nieuwe socialisten waren ook, eindelijk, vrouwen. Mede door hen kwam er binnen de SP nog meer aandacht voor milieu en mensenrechten. Toch brachten deze nieuwe thema’s ook problemen met zich mee. Zo kreeg Norbert de Batselier het hard te verduren toen zijn strijd tegen milieuvervuiling als minister van Economie tot banenverlies leidde. De vraag aan welke kant de socialisten eigenlijk stonden stak in volkswijken meer en meer de kop op. Ook de toename van de etnische diversiteit en de samenlevingsproblemen die hiermee samengaan, dreven steeds meer kiezers weg van de SP. Op 24 november 1991 werd de rekening gepresenteerd. De SP zakt onder de twintig procent en de doorbraak van het Vlaams Blok, op ‘Zwarte Zondag’, was een klap in het gezicht van de Vlaamse socialisten.


Moeilijke jaren '90 (1992-1999)

Nadat Karel Van Miert in 1988 de overstap naar de Europese politiek maakt, komt de jonge Frank Vandenbroucke aan het hoofd van de SP. Hij, en na hem Louis Tobback, zet de vernieuwing en verruiming van de partij verder. De lokale afdelingen krijgen meer inspraak. Er wordt gezocht naar een antwoord op de opmars van extreem-rechts en de partijtop probeert de ondermijnde positie van de SP in de steden te versterken.

Ook inhoudelijk gaat de evolutie verder. De werking van de moderne politieke democratie, de rol van de overheid en sociaal-ecologische modernisering komen op de agenda. Er wordt ook steeds meer nadruk gelegd op ecologische en milieuthema’s. Het behoud van het milieu betekent voor de SP een vorm van sociale rechtvaardigheid.

Kort nadat Louis Tobback de fakkel overneemt van Frank Vandenbroucke, barst in 1995 het Agusta-schandaal los. Een opdoffer voor de SP: enkele van haar kopstukken zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken. Toch slaagt de partij er in bij de verkiezingen van 1995 stand te houden, mede dankzij een sterke campagne, waarbij enkel voorzitter Louis Tobback op de voorgrond wordt geschoven. Na deze verkiezingen blijft de SP de nadruk leggen op sociale zekerheid, pensioenen en werk, thema’s die de partij als geen ander kan opeisen.

De legislatuur tussen 1995 en 1999 was zeker niet de gelukkigste in de geschiedenis van de SP. De Agusta-affaire mondde uit in een veroordeling van verschillende SP-kopstukken waaronder gewezen NAVO-secretaris-generaal Willy Claes. De ontsnapping van Marc Dutroux dwong minister van Binnenlandse Zaken Johan Vande Lanotte tot ontslag. Zijn opvolger Louis Tobback maakte vervolgens plaats voor Luc Van den Bossche na het overlijden van de Nigeriaanse vluchtelinge Semira Adamu tijdens haar repatriëring.

Na moelijke verkiezingen in 1999 stapt de SP opnieuw in de federale, paars-groene regering, de eerste in veertig jaar waar geen christen-democraten deel van uitmaken. Met een sterke ploeg slaagt de SP erin om een groot deel van haar programma waar te maken.


Sterft gij oude vormen en gedachten (1999-2000)

In oktober 1999 wordt Patrick Janssens partijvoorzitter. Hij zette meteen een radicale vernieuwing in. Met een kritische nota ‘De nieuwe SP, een strategie voor partijvernieuwing wordt in november 2000 werk gemaakt van de nieuwe missie en werking van de partij.

Rode draad doorheen de vernieuwingsbeweging is de realisatie van een samenleving waarin iedereen gelijke kansen heeft om zich te ontplooien. Maar iedereen in die samenleving heeft ook de verantwoordelijkheid om die kansen te benutten.

Om dit te kunnen realiseren wil sp.a een partijwerking uitbouwen die voortdurend in dialoog is met de samenleving. Enkel zo kan de partij de kennis en de ervaring verwerven om haar missie te vertalen in toekomstgerichte beleidsvoorstellen. Idealen en ideeën moeten omgezet worden in politiek handelen. Politiek is dan ook mensenwerk. Daarom wil sp.a voortdurend investeren in ideeën én in mensen.

De naamsverandering was een belangrijk moment in de partijvernieuwing. Bij het proces van de naamsverandering werden de sterke punten uit het verleden gekoppeld aan het vernieuwingsproces. sp.a staat voor 'SP Anders'. Niets meer, maar ook niets minder. Het is een naam met een duidelijke verwijzing naar de SP. De nieuwe naam legt de band met onze geschiedenis, want onze doelstellingen blijven ongewijzigd. Maar hij maakt duidelijk dat we ons gedrag willen veranderen. sp.a wil vanaf dan een open linkse partij zijn, waar iedereen welkom is die onze doelstellingen onderschrijft. De nieuwe naam drukt onze vastberadenheid uit om een sociaal progressief alternatief te worden.


partijvoorzitters


 

Willy Claes (1975-1977)

Socialisten hebben de traditie om al op erg jonge leeftijd te worden gebeten door het politieke beestje. Willy Claes spant zowaar de kroon. Jong, brandend van ambitie en met het hoofd vol plannen werd hij op 17-jarige leeftijd provinciaal secretaris van de Jongsocialisten. Daarna ging het snel. Verkozen tot gemeenteraadslid in zijn geboortestad Hasselt op zijn 25ste. Het jaar daarop werd hij algemeen secretaris van de socialistische mutualiteit in Limburg en lid van het nationaal BSP-bureau. Tussendoor vond hij ook nog de tijd om succesvol zijn studie politieke en sociale wetenschappen af te ronden aan de Vrije Universiteit Brussel af te ronden.

In 1968 zette hij als volksvertegenwoordiger in de Kamer zijn eerste stappen in de nationale politiek. In 1972 werd hij minister van Nationale Opvoeding in de regering Eyskens-Cools. Het daaropvolgende jaar werd hij minister van Economische Zaken in de regering Leburton. In 1975 werd hij voorzitter van de socialistische partij.

Tussen 1977-81 en 1988-92 wenkte opnieuw de regering en was hij minister van Economische Zaken. In die laatste periode was hij ook vice-premier. Tussen 1992 en 1994 zetelde hij in de regering als vice-premier en minister van Buitenlandse Zaken. Daarnaast leidde hij de partij van de Europese Socialisten.

In 1994 ruilde hij de nationale politiek voor het internationale forum en werd secretaris-generaal van de NAVO. De nasleep van de Agusta-zaak leidde er helaas toe dat hij de NAVO vroegtijdig moest verlaten. Geroemd als politicus, befaamd als pianist.

 


Karel Van Miert (1977-1989)

Geboren en getogen in de Kempen in 1942, en helaas veel te vroeg overleden op 22 juni 2009.

Na zijn studie diplomatieke wetenschappen aan de Gentse Universiteit, begon hij op jonge leeftijd aan een carrière binnen de socialistische partij. Een rijke en gevulde carrière, zo zou de geschiedenis al snel leren. In 1976 werd hij Internationaal Secretaris van de BSP. Een jaar later combineerde hij de functie van co-voorzitter van de BSP-PSB met die van kabinetschef van Willy Claes.

In 1978 werd hij partijvoorzitter. Zowat een decennium lang nam hij de leiding van de partij waar. Onder zijn leiding splitste de BSP in de Vlaamse SP en de Waalse PS. Karel Van Miert had wou van de SP een partij maken met een duidelijke visie én gezicht. Een opzet dat nieuwe mensen vereiste die samen de lijnen van de partij uitdachten en vorm gaven. Dat opzet kreeg een naam: de ‘Jonge Turken’, met onder andere Louis Tobback, Luc Van den Bossche, Norbert De Batselier, Freddy Willockx, Louis Vanvelthoven en Marcel Colla. Klinkende namen, kleppers in de geschiedenis van de partij. De kroniek van een aangekondigd succes. SP ging hevig tekeer in thema’s die de samenleving sterk beroerden, denk maar aan de invoering van de kruisraketten. Met ‘Voor Vrede en Werk’ gaf Van Miert een radicaal sociaaleconomisch antwoord op het neoliberale offensief.

Een nieuwe generatie was geboren. Eén met haar op de tanden. Dat bleek uit de gemeenteraadsverkiezingen van 1982 en zeker uit het succes van de Europese Verkiezingen in 1984. Karle trok de lijst en behaalde een score van 21,8 procent. In 1985 werd de winst verzilverd bij de parlementsverkiezingen met een mooie 23,75 procent. En de opmars ging verder met een resultaat van 24,6 procent in 1987, waarmee de partij opnieuw deel uitmaakte van de regering.

Karel werd ook Europees Parlementslid in 1979. Een mandaat dat hij opnam tot 1985. In 1988 ruilde hij het voorzitterschap in voor de functie van Europees Commissaris bevoegd voor achtereenvolgens Transport, Krediet en Investeringen en Consumentenbeleid (1989-1993), voor Concurrentiebeleid, Personeelszaken en Algemeen Beleid (1993-1995), voor Concurrentiebeleid (1995-1999).


 

Frank Vandenbroucke (1989-1994)

Lange tijd was Frank Vandenbroucke de jongste voorzitter van de socialistische partij ooit. Op 34-jarige leeftijd nam hij de fakkel over van Karel Van Miert. Jong, maar allerminst onervaren. Zijn eerste stappen in de politiek zette hij als wetenschappelijk medewerker op de studiedienst van de partij, het SEVI. In 1985 ruilde hij de coulissen voor het podium en werd kamerlid.

Geëngageerd voor de partij en geïnspireerd door zijn voorganger wou hij werk maken van de vernieuwing van de partij. De ‘Jonge Turken’ van begin jaren ’80 gold als voorbeeld. De oprichting van de Dominogroep was hiertoe een belangrijke eerste stap. Johan Vande Lanotte, Anne Van Lancker, Renaat Landuyt, Steve Stevaert en Philippe De Coene maakten er deel van uit. Mensen van wie je bezwaarlijk kan beweren dat we van hen achteraf niets meer gehoord hebben.

Het jaar 1995, met de Agusta-affaire, was een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de partij. Een affaire die Frank Vandenbroucke, toen ook minister van Buitenlandse Zaken, zwaar ontgoochelde en trof. Hij ruilde de Belgische politiek voor de universiteit van Oxford, waar hij werkte aan zijn doctoraatsthesis. Die herbronning was een schot in de roos en in 1998 kwam hij terug op het toneel van het Toekomstcongres. Een nieuw inhoudelijk project werd geboren: de actieve welvaartstaat. Nauwelijks een jaar later werd hij minister van Sociale Zaken en Pensioenen in de federale regering Verhofstadt I. Ook na de federale verkiezingen in 2003 was hij opnieuw van de partij in de paarse regering als minister van Werk en Pensioenen. De regionale verkiezingen in 2004 betekende zijn overstap naar de Vlaamse regering onder Yves Leterme. Hij werd er vice-president en minister van Werk, Onderwijs en Vorming.

Van 2009 tot en met 2011 zetelde Frank eerst als Vlaams parlementslid en na de verkiezingen van 2010 als senator. Eind 2011 nam hij ontslag uit zijn politieke mandaten om zich aan zijn academische loopbaan te wijden.


Louis Tobback (1994-1998)

Wie stopt voor een rood licht in de woestijn? Louis Tobback. Inderdaad. Hij draait zijn hand – of tong- niet om voor een gevatte opmerking. Gemeend, maar tegelijkertijd door iedereen gehoord en vooral onthouden. Hij was voorzitter in de minst fijne episode van de socialistische partij: de uitbarsting en gevolgen van de Agusta-affaire. Toch slaagde hij erin om de neerwaartse spiraal te keren met de campagne ‘Uw sociale zekerheid’, waarmee hij zomaar even 20,7 procent van de stemmen haalde.

Een verkiezing winnen is een bijzondere zaak, een partij rechthouden een andere. Geen gemakkelijke klus, zoveel is zeker. Mensen, belangrijk voor de werking van de partij, verdwenen. Daarnaast speelden de financiële gevolgen een kwalijke rol. Toch slaagde Louis erin om de partij, intern en extern, recht te houden.

Met het Toekomstcongres in mei 1998, voorgezeten door Norbert De Batselier, werden 11 contracten gesloten met nieuwe ideeën en acties voor de partij. Samen met Steve Stevaert werd gezocht naar nieuwe gezichten op de lijsten.

In datzelfde jaar werd hij vice-premier en minister van Buitenlandse Zaken, nadat de ontsnapping van Dutroux een abrupt einde had gemaakt aan het mandaat van Johan Vande Lanotte.

Vandaag is Louis burgemeester van Leuven.


Fred Erdman (1998-1999)

Rust, kalmte en diplomatie. Dat zijn de woorden die Fred Erdman het meest typeren. En dat waren ook de verlangens van de toenmalige SP, na het noodgedwongen vertrek van Louis Tobback.

 

Begonnen als een interimjob nam Fred uiteindelijk de leiding van de partij gedurende twee jaar waar. Hij is misschien een minzaam man, wat timide zelfs, toch komt hij steeds openlijke uit voor waar hij in gelooft. Bewijs daarvan was zijn voortrekkersrol in het euthanasiedossier. Zijn voorbereidend werk leidde uiteindelijk tot de totstandkoming van de wet, die goedgekeurd werd in 2000.





Patrick Janssens (1999-2003)

1999 was een niet al te beste bladzijde in de geschiedenis van de partij. Bij de ‘moeder aller verkiezingen’ bereikte de SP een historisch dieptepunt met 15 procent. En toen kwam Patrick Janssens. Een vreemde eend in de bijt. Een reclameman –hij was directeur bij VVL/BBDO- die de partij zou leiden. De kritiek was aanvankelijk nogal luid. Maar dat keerde behoorlijk snel.

Onder Patrick onderging de partij een grondige vervelling. SP, een in zichzelf gekeerde partij, was niet meer. sp.a was geboren. Een partij die het lef heeft om deuren en vensters open te zetten, om te luisteren naar wat leeft en beweegt in de samenleving. Een partij die investeert in mensen en ideeën. De Tabasco-nota gaf de toon aan en het gelijke kansendiscours vond zijn weerklank. Terecht. De Tabasco-nota was inderdaad zo heet als de naam aangaf. Een kritische evaluatie van de eigen partij en haar structuren ga de aanzet om te komen tot een progressieve, zelfbewuste, sociaal-democratische en toekomstgerichte partij.

In 2003, in volle koers naar de parlementsverkiezingen, stond politiek Antwerpen onder ongeziene stroom. Het volledige schepencollege gaf haar ontslag na vermeend misbruik van VISA-kaarten door enkele van haar leden. Patrick stelde zich kandidaat-burgemeester en mocht de sjerp omgorden. In 2006 verzilverde hij die functie. Met verve. De Antwerpenaren kozen overduidelijk voor Patrick.


Steve Stevaert (2003-2005)

Steve Stevaert voorstellen hoeft nauwelijks. Het socialisme moet gezellig zijn of niet zijn. Als mijn tante wieltjes had, dan was ze een trotinette. Het is maar een greep uit de kwinkslagen waarop hij ons trakteerde. Het hoeft geen verwondering te wekken dat de voormalige cafébaas uit Hasselt in een mum van tijd een geliefd politicus werd. Waar Steve verscheen, was het ambiance. Maar Steve was en is meer dan oneliners alleen. Zo zette hij mobiliteit – een thema waar weinig politici zich aan wilden wagen – op de agenda. Met het decreet basismobiliteit gaf hij iedereen het recht op betaalbaar openbaar vervoer op redelijke afstand van zijn woonplaats. Gratis openbaar vervoer voor 65-plussers was ook een van zijn gesmaakte maatregelen. Gratis, het woord is gevallen, gaf hem de oneerbiedige bijnaam Steve Stunt. Nochtans liet zijn verhaal van sociale herverdeling niemand koud.

Ook op het vlak van energie behaalde Steve resultaten. Onder meer de gratis basislevering elektriciteit. En wie denkt dat Steve enkel ging voor zaken waar niemand tegen kon zijn, heeft het mis. Een dossier als zonevreemde woningen schoof hij niet opzij.

Na het afscheid van Patrick Janssens als voorzitter werd Steve het boegbeeld van sp.a. Hij was voorzitter tot hij besloot om zich opnieuw toe te leggen op zijn geliefde Limburg, waar hij het gouverneurschap op zich nam. Deze functie legde hij in juni 2009 neer, evenwel zonder ambities om terug te keren in de politiek.

Op 2 april 2015 moesten we helaas veel te vroeg afscheid nemen van Steve.


Johan Vande Lanotte (2005-2007)

Gepokt en gemazeld in de politieke wereld. Niet zo verwonderlijk als je weet dat Johan Vande Lanotte zijn loopbaan begon als kabinetschef van toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Louis Tobback, in 1998. In datzelfde jaar werd hij ook aangesteld als professor aan de Universiteit van Gent. Zijn natuurlijke habitat, zoals hij het zelf omschrijft. Zijn echte stiel, diegene “waarmee hij zijn ego maakt of kraakt”.

Geboren en getogen in het diepe West-Vlaanderen, Stavelo- bachten den kupe, zou je durven zeggen-, vraagt zijn mentor Louis Tobback om te verkassen naar de koningin der badsteden, Oostende. Nieuw leven in die afdeling blazen was zijn opdracht. Johan gaat in op de vraag en zijn methode blijkt aan te slaan. Binnen een jaar krijgt hij voldoende stemmen achter zijn naam om hen te vertegenwoordigen in de federale Kamer.

Het duurt niet lang vooraleer hij zijn eerste slag binnenhaalt. Wie aan de Noordzee denkt, ziet ook de kustlijn voor zich. Een fantastisch zicht dat steeds meer verpest werd door een alles en niet ontziende bouwwoede. Met het duinendecreet stelde hij daaraan resoluut een einde. Daarna werd hij minister en vice-premier in de federale regering. Zijn passage bleef niet onopgemerkt, met onder andere zeven sluitende begrotingen op rij en gratis woon-werkverkeer op het spoor.

Vandaag is Johan burgemeester van Oostende.

 

Caroline Gennez (2007-2011)

“Doe goed en kijk niet om”, dat is het motto van de jongste voorzitter van sp.a ooit.

Het doel van Caroline Gennez was om het te maken in de tenniswereld. Helaas maakte een hernia een abrupt einde aan dat plan. De vastberadenheid en de strijdlust bleven echter, net zoals de grote interesse voor sport. Haar engagement werd duidelijk toen ze voorzitter was van de Jongsocialisten, die ze omvormde tot Animo. Een brede, open, progressieve jongerenbeweging met net dat beetje meer: rebels en recht voor de raap. Zonder taboes of dogma’s.

In 2004 verhuisde ze van Sint-Truiden naar Mechelen, waar ze de partij opnieuw op duidelijk op de kaart zette. Na de verkiezingen van 2004 werd ze fractievoorzitter voor sp.a-spirit in het Vlaams Parlement. Ondertussen kwam ze als ondervoorzitter aan de zijde van Steve Stevaert te staan. Toen die laatste het gouverneurschap in Limburg opnam, kwam Caroline tijdelijk aan het roer van de partij.

Op 15 oktober 2005 werd Johan Vande Lanotte voorzitter en opnieuw nam Caroline de rol van ondervoorzitter op zich. Na de in mineur afgelopen federale verkiezingen in 2007 nam Johan ontslag. Caroline kreeg op haar beurt het vertrouwen als nieuwe voorzitter van sp.a.

Haar motto blijft ze nog steeds trouw, zij het in iets aangepaste vorm: “doe goed, ga vooruit en kijk of iedereen mee is”. Caroline was voorzitter van een partij die leeft. Een partij van vlees en bloed. Een partij ook die kan incasseren, die luistert en antwoorden biedt.

Vandaag is Caroline Vlaams parlementslid en gemeenteraadslid in Mechelen.


Bruno Tobback (2011 - 2015)

De appel valt  niet ver van de boom. Bruno krijgt thuis het politieke virus met de paplepel ingegoten. Hij was amper 8, toen hij in Leuven voor de eerste keer mee ging bussen tijdens een verkiezingscampagne. Na zijn wonderjaren bij onder meer de Rode Valken en Greenpeace in combinatie met zijn studie rechten, ruilt Bruno midden jaren 90 de advocatuur voor de actieve politiek. In de jaren die volgen in het Vlaams parlement en de kamer komt Bruno uit de verf als uitstekend debater. Als minister van Pensioenen toont hij zich een dossiervreter. In 2011 neemt Bruno het voorzitterschap van sp.a over met een verpletterende meerderheid van 97% en loodst hij de partij in de regering Di Rupo I

Bruno, een gepassioneerd bergbeklimmer, maakt intern werk van een inhoudelijke herbronning en versterking van de partij. De nieuwe beginselverklaring - dat het historische charter van Quaregnon een eigentijds kleedje geeft - vat de visie van sp.a op de samenleving samen. Deze beginselverklaring werd aangenomen op het congres van Leuven in juni 2013. Zo kiest sp.a resoluut voor een model waarbij we welvaart delen en eenieder naar vermogen bijdraagt, zodat de hele samenleving geniet van de vruchten van de vooruitgang. Verder zijn we duidelijk over de reden van ons bestaan: gelijkheid werkt!

Na de verkiezingen van mei 2014 – waarna sp.a Vlaams en federaal in de oppositie belandt, zet Bruno de Crescendo-beweging in de steigers, die inzet op de organisatorische versterking en inhoudelijke verbreding van de partij. sp.a moet weer een smoel krijgen om een prominente rol in het politieke landschap én de samenleving te spelen. Tijdens het Crescendo-congres keuren de leden de nieuwe missie van de partij goed.


Vandaag is Bruno Vlaams parlementslid.


John Crombez (2015)

 

John Crombez (° Oostende, 19 september 1973) woont in Oostende.

Hij studeerde economische wetenschappen aan de Universiteit Gent (België) en statistische wetenschappen aan de Universiteit van Neuchâtel (Zwitserland), waarna hij een doctoraat in de economische wetenschappen behaalde, opnieuw aan de Universiteit Gent.

Hij startte zijn academische loopbaan als wetenschappelijk medewerker in de vakgroep Financiële economie aan de Universiteit Gent (1996-2001). Na het behalen van zijn doctoraat, zette hij zijn loopbaan als doctor voort (2001-2003). In 2001 werd hij ook docent (wat hij nog steeds is) aan de Hogeschool Gent (onderwerpen "Portfolio management" en "Advanced corporate finance").

In 2001 was hij ook deeltijds consultant bij KPMG (asset allocation management) Zijn politieke carrière begon in 2003 (tot 2005) als adviseur bij de Vice-Eerste Minister en Minister van Overheidsbedrijven. Hij promoveerde in 2005 tot kabinetschef van de Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting. Van 2007 tot 2009 was hij werkzaam als secretaris van de socialistische fractie in het Parlement. In 2009 (tot 2010) werd hij verkozen tot lid van het Vlaams Parlement en van de Senaat. In 2010 werd hij fractieleider van de socialistische fractie in het Vlaams Parlement. Op 6 december 2011 werd hij door Koning Albert II aangesteld tot Staatssecretaris voor de Bestrijding van de sociale en de fiscale fraude in de federale regering-Di Rupo.

Na de verkiezingen van 2014 werd hij terug Vlaams parlementslid en fractieleider. Op 13 juni 2015 werd hij verkozen tot voorzitter van sp.a, met Stephanie Van Houtven als ondervoorzitter. Hij nam daarna ontslag als Vlaams parlementslid om zich volledig toe te leggen op zijn rol als voorzitter.